Uitspraak
1.De procedure
2.Aan de beoordeling van het verzoek voorafgaande overweging
3.Beoordeling van het wrakingsverzoek
4.Beslissing
6 juni 2014.
Hoge Raad
Verzoeker heeft in een cassatieprocedure in een belastingzaak een wrakingsverzoek ingediend tegen raadsheer M.A. Fierstra van de Hoge Raad. Dit verzoek werd behandeld door de Vierde kamer van de Hoge Raad, waarbij verzoeker niet is verschenen en raadsheer Fierstra geen verweerschrift heeft ingediend.
Het wrakingsverzoek werd getoetst aan artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 29 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De Hoge Raad benadrukte de vermoeden van onpartijdigheid van rechters en stelde dat alleen uitzonderlijke omstandigheden tot wraking kunnen leiden.
De betrokken raadsheer had in een eerdere functie namens de Nederlandse Staat standpunten bij het Hof van Justitie van de Europese Unie verdedigd, maar dit werd niet als reden voor vooringenomenheid gezien. De Hoge Raad oordeelde dat zijn huidige rol als rechter hem niet bindt aan eerdere standpunten.
Het verzoek tot wraking bevatte geen feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de raadsheer in gevaar brengen. Daarom werd het verzoek afgewezen en de beslissing in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van raadsheer Fierstra wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.