ECLI:NL:GHDHA:2017:2937
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging ontzegging omgangsrecht vader met minderjarigen wegens zwaarwegende belangen kinderen
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de zorgregeling en het omgangsrecht van de vader met zijn minderjarige kinderen hersteld konden worden. De vader was in hoger beroep gekomen tegen de beëindiging van de zorgregeling door de rechtbank, omdat de kinderen geen contact meer wilden. De moeder stelde dat alle wettelijke ontzeggingsgronden van toepassing waren en dat het contact schadelijk was voor de kinderen.
Het hof overwoog dat de wettelijke ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 BW van toepassing waren, mede vanwege het verleden waarin de vader zich niet aan afspraken hield en het feit dat de kinderen al ruim twee jaar geen contact hadden. De kinderen hadden bovendien nadrukkelijk aangegeven geen contact te willen, wat gezien hun leeftijd zwaarwegend werd meegewogen.
Het hof stelde vast dat de rechtbank zich voldoende had ingespannen om een zorgregeling tot stand te brengen, onder meer door een hulpverleningstraject, dat echter voortijdig werd afgebroken door de kinderen. De vader had niet concreet gemaakt hoe hij het contact wilde herstellen en was niet verschenen bij de zitting in hoger beroep.
Gelet op deze omstandigheden oordeelde het hof dat het contact op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarigen en bekrachtigde de bestreden beschikking die de zorgregeling beëindigde en het contact verbood.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontzegging van het omgangsrecht van de vader met de minderjarigen en wijst het hoger beroep af.