Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
In de zaak met nummer 200.204.021/01:
en
in de zaak met nummer 200.204.074/01:
23 augustus 2016 van de rechtbank Den Haag, verbeterd bij beschikking van 21 december 2016 van diezelfde rechtbank. Bij dat beroep heeft de vrouw tevens een incidenteel verzoek ingesteld tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de navolgende bepaling: “
de woning van partijen met opstallen, bijgebouwen en grond aan de [adres 1] , met de daarop rustende hypothecaire geldleningen wordt getaxeerd conform afspraak, waarna de man de woning overneemt voor dat bedrag, met overname van de bijbehorende hypotheekschuld en met vergoeding van de helft van de overwaarde aan de vrouw. Mocht dit niet mogelijk zijn, wordt de woning verkocht, met toedeling bij helfte van de overwaarde aan partijen.”Dit verzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.204.074/02 (hierna ook: het schorsingsverzoek).
- op 23 december 2017 een brief van diezelfde datum met bijlagen;
- op 24 april 2017 een journaalbericht van diezelfde datum met bijlagen.
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en mevrouw mr. L.E. Leunissen, kantoorgenote van de advocaat van de vrouw.
- dat de vrouw een vordering heeft op de gemeenschap voor een bedrag van € 600.000,-;
- dat de navolgende vermogensbestanddelen van partijen, nadat voornoemde vordering aan de vrouw is voldaan, als volgt worden toebedeeld:
- Partijen zijn met elkaar gehuwd op 1 maart 2005 onder huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat tussen hen een gemeenschap van goederen zal bestaan met uitzondering van het tegoed/de belegging bij de [A] Bank voor Beleggers te Amsterdam met (thans) nummer [rekeningnummer 1] , voorheen nummer [rekeningnummer 1] , dan wel op een daarvoor in de plaats gekomen spaar/beleggingsnummer, dat tot het privévermogen van de vrouw zal blijven behoren.
- Bij beschikking van 8 september 2015 van de rechtbank Den Haag is een voorlopige voorziening getroffen, zoals verbeterd bij beschikking d.d. 3 november 2015, inhoudende dat de man met ingang van 1 oktober 2015 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de (voormalige) echtelijke woning.
€ 96.182,- minus (€ 544.342/2) is € 35.067,- negatief, zodat aan de vrouw geen vorderingsrecht toekomt;
(€ 600.000,- minus € 544.342,-/2 is) € 327.829,-;
€ 503.818,-;
€ 994.994,- ten aanzien van de privégelden waarmee de gemeenschap is gebaat, althans een door het hof te bepalen bedrag;
€ 72.980,59 op grond van artikel 3:194 BW Pro aan de vrouw verbeurt;
€ 72.980,59 aan de gemeenschap dient te vergoeden.
€ 600.000,- ten gunste van de vrouw buiten de huwelijkse gemeenschap zou worden gehouden, en dat de [A] rekening in de gemeenschap valt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw een vorderingsrecht heeft voor een geldbedrag van € 600.000,- uit de huwelijksgemeenschap van partijen, als zijnde privévermogen van de vrouw, waarna het overige bij helfte aan ieder van partijen toekomt.
€ 96.182,71. Het vorderingsrecht dat aan de vrouw toekomt, is € 35.067,- negatief, namelijk € 333.268 minus het verlies van € 96.182 minus (het “verdwenen bedrag/2, ofwel
€ 544.342/2).
aanleg staat op pagina 3 het volgende vermeld:
€ 422,- per maand met ingang van 23 februari 2017. Gezien het verzoek van de vrouw zal het hof bepalen dat de gebruiksvergoeding eindigt op de dag dat het gebruik van de woning door de man eindigt. Het hof wijst het verzoek van de vrouw, inhoudende te bepalen dat deze gebruiksvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de eerste dag van de maand dat de man de (maandelijkse) gebruiksvergoeding is verschuldigd en deze niet heeft voldaan telkens tot aan de dag der algehele voldoening, af, nu deze vergoeding pas thans wordt vastgesteld en die zou zijn verschuldigd van de datum inschrijving tot de datum in februari 2017 waarop het uitsluitend gebruik door de man eindigde.
€ 600.000,-, verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank dat de schuld van de man aan de vrouw op het tijdstip van het huwelijk tussen partijen is opgegaan in de (beperkte) gemeenschap van goederen en dat daarmee het vorderingsrecht van de vrouw inzake deze geldsom alsmede de rente daarover is komen te vervallen. De stelling van de vrouw dat het naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de schuld in de gemeenschap zou vallen, slaagt eveneens niet.
€ 72.980,59 reeds voor de peildatum heeft plaatsgevonden, dient de man opheldering te verschaffen over de vraag waaraan dit bedrag is besteed en wat voor dit bedrag in de plaats is gekomen. De vrouw stelt op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro aanspraak te maken op het bedrag van € 72.980,59 dan wel het goed dat daarvoor in de plaats is gekomen.
(€ 2.739,36 plus € 5.288,16)/2 is) € 4.013,76. De man dient de helft van dit bedrag
(€ 2.006,88) aan de vrouw te betalen. Het hof zal aldus beslissen.
€ 600.000,- op de gemeenschap, stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de woning aan de [b-adres] en het saldo op de bankrekeningen [rekeningnummers 2] , tot de gemeenschap behoren. Voor zover de partijbedoeling wordt gevolgd, maakt het voor de vrouw niet uit of haar privévermogen wordt veiliggesteld door middel van een vordering op de gemeenschap zoals door de rechtbank thans is bepaald, of door bepaling dat tot het privévermogen van de vrouw behoort voormelde woning en het saldo op voormelde bankrekeningen en dat de vrouw voor het overige een vergoedingsvordering op de gemeenschap heeft van € 97.133,82. Nu het hof reeds heeft overwogen dat de vrouw een vordering op de gemeenschap heeft van € 600.000,-, komt het hof niet meer toe aan de bespreking van voormelde voorwaardelijke grief.