3.4Ten aanzien van de bedingen opgenomen in dit convenant ten aanzien van de kinderalimentatie, geldt dat deze niet kunnen worden gewijzigd.
6. De man heeft aan zijn inleidend verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie ten grondslag gelegd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het overeenkomen van het convenant. Daarbij acht hij zich niet gehouden aan het zogenaamde niet-wijzigingsbeding van voormeld artikel 3.4 uit het convenant, aangezien kinderalimentatie van openbare orde is.
De vrouw stelt dat het de bedoeling van partijen is geweest om bij convenant een ondergrens af te spreken als beschermingsbepaling voor de minderjarige. Partijen hebben zich beiden laten bijstaan door een advocaat en hebben getracht concreet in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Toen de man op enig moment verstoken was van werk zijn partijen in onderling overleg een tijdelijke verlaging van de kinderalimentatie overeengekomen. Nu de man weer werk heeft, herleven de afspraken uit het convenant, aldus de vrouw.
7. Het hof is van oordeel dat het ouders vrij staat om afspraken te maken met betrekking tot de door hen te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, zolang deze afspraken voldoen aan de wettelijke maatstaven. In strijd met de wettelijke maatstaven zijn afspraken waarbij wordt afgezien van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen, of wordt afgezien van een verhoging daarvan bij een toename van inkomsten van de onderhoudsplichtige. Een beding daarentegen waarbij partijen afspreken dat de kinderalimentatie niet zal worden verlaagd, acht het hof rechtsgeldig. Het tussen partijen overeengekomen artikel 3.4 van het convenant is naar het oordeel van het hof dan ook in zoverre niet in strijd met de wet. Dit neemt niet weg dat het hof dient te beoordelen of de man, gelet op zijn stellingen met betrekking tot zijn draagkracht, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nog gehouden kan worden aan deze afspraak.
8. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende weersproken dat het inkomen van de man
€ 1.545,- netto per maand bedraagt en dat hij op basis van de formule een draagkracht heeft van € 134,- per maand, zoals hij dit in zijn inleidende verzoekschrift onder punt 8 uiteen heeft gezet. Uit de in hoger beroep overgelegde salarisspecificaties 2017 blijkt van een iets lager inkomen, maar de man heeft ter zitting verklaard zich te kunnen vinden in de uitkomst van de bestreden beschikking. Nu de aldus becijferde draagkracht van de man een bijdrage toelaat van ongeveer 1/3 van hetgeen partijen bij convenant zijn overeengekomen, is naar het oordeel van het hof sprake van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden. De stellingen van de vrouw dat de man geen woonlasten zou hebben, dan wel vermogen uit de erfenis van zijn moeder zou kunnen genereren, heeft zij - gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man - onvoldoende onderbouwd.
9. Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige toelaat van € 134,- per maand. Uit het inleidende verzoek van de man blijkt dat de behoefte van de minderjarige € 655,- per maand in 2013 bedroeg, zijnde € 690,- per maand geïndexeerd naar 2017. Nu de man met € 134,- per maand slechts zeer ten dele in zijn aandeel van de kosten van de minderjarige voorziet, acht het hof geen ruimte aanwezig voor de toepassing van enige zorgkorting. Wel gaat het hof er vanuit dat partijen in het belang van de minderjarige het contact tussen de man en de minderjarige zullen hervatten, zoals zij dit ter zitting hebben afgesproken.
10. De ingangsdatum van 8 april 2016 is niet in geschil, zodat het hof de bestreden beschikking ook in zoverre zal bekrachtigen.