Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 21 februari 2017
[appellante] ,
Stichting Woonstad Rotterdam,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grief 1betoogt [appellante] dat zij niet gebonden is aan artikel 7.2 van de algemene voorwaarden. Zij heeft deze voorwaarden niet geaccepteerd en heeft ze tot aan de dagvaarding nooit gezien. Met
grief 2voert [appellante] aan dat als Woonstad met de brief van 19 september 2014 werkelijk bedoelde dat haar een laatste kans werd gegeven, Woonstad dit in duidelijke bewoordingen had moeten aangeven. Daarnaast is grief 2 gericht tegen het gebruik door de kantonrechter van de in februari 2015 afgelegde verklaringen van verschillende buurtbewoners, inhoudend dat [appellante] nog steeds (ook na 1 oktober 2014) bij haar dochter en niet in haar eigen woning woont. Volgens [appellante] betreft het valse verklaringen van buren die tegen haar samenspannen. Er is sprake van een doelgerichte gezamenlijke campagne om haar het huis uit te krijgen. De verklaringen lijken op elkaar te zijn afgestemd. Met
grief 3bestrijdt [appellante] het oordeel van de kantonrechter dat zij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 16 januari 2015 geen water in de woning had. Subsidiair betoogt [appellante] dat zelfs als zij in die periode geen waterleveringscontract had, dit nog niet betekent dat [appellante] niet in de woning woonde. Met
grief 4komt [appellante] er tegen op dat de kantonrechter het feit dat zij in de periode van 1 oktober 2014 tot en met 27 februari 2015 geen elektriciteit heeft verbruikt, kennelijk gebruikt om te concluderen dat zij in die periode geen hoofdverblijf in de woning had. [appellante] is gewoon buitengewoon zuinig geweest, heeft in die periode gas gebruikt in plaats van stroom en heeft zich verder beholpen met kaarslicht. Ook heeft zij in die periode water verbruikt, in ieder geval vanaf 16 januari 2015. Met
grief 5maakt [appellante] bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] geen verklaring geeft voor het ogenschijnlijke feit dat zij in de periode van 1 oktober 2014 tot 3 februari 2015 (voorafgaand aan haar hartinfarct) niet in haar eigen woning woonde.
Grief 6is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat ervan uit moet worden gegaan dat [appellante] niet meer in de woning woont en dat zij daarmee tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Tevens komt deze grief op tegen het oordeel dat [appellante] een bedrag van € 21,47 verschuldigd is in verband met een huurachterstand. Volgens [appellante] is geen sprake van enige huurachterstand en dient de vordering ter zake van de wettelijke rente te worden afgewezen. Met
grief 7maakt [appellante] bezwaar tegen de veroordeling tot betaling van de incassokosten van € 203,24.
“U vraagt mij nu of mevrouw van nr. 60 al in haar woning woont. Mij[n] antwoord is nee. Ze woont nog steeds bij haar dochter. (…) Nadat jullie geweest zijn is ze een paar keer in de woning geweest maar alleen om te laten zien dat ze er is. Slapen heeft ze nog nooit gedaan. Ik vermoed nu dat zij aan jullie zal zeggen dat zij bij haar dochter woont omdat ze ziek is. Dit klopt maar pas sinds 2 februari 2015.” [naam 3] van [adres 3] verklaart, voor zover hier van belang:
“De gemaakte afspraken met jullie is ze niet nagekomen want ze woont er niet. In het begin heb ik haar even gezien. Er stond een lampje aan. Ik dacht nu heeft ze stroom, maar dat waren lampjes op batterijen. Dit vertelde mijn buurvrouw. Zij is gaan kijken. Ik weet zeker dat zij bij haar dochter woont. Ze kan niets in haar eigen woning, geen stroom en water. Ze heeft het een week volgehouden door zichtbaar te slapen in de woning.”
“Hierbij verklaar ik dat mevr. [appellante] in haar woning woont en dat ze haar woning terugkrijgt!!”geldt dat hierin niet staat dat [appellante] in de periode na 1 oktober 2014 haar hoofdverblijf in de woning hield. De verklaringen inhoudend dat [appellante] in de woning moet kunnen blijven zijn slechts steunbetuigingen en kunnen [appellante] daarom niet baten. De steunbetuigingen bevatten verder enkele verklaringen die inhouden dat [appellante] wel in haar woning verbleef, maar deze specificeren op geen enkele wijze in welke periode dat dan geweest zou zijn.
Beslissing
met uitzondering vande veroordeling tot betaling van 203,24 aan buitengerechtelijke kosten, en
in zoverre opnieuw rechtdoende: