In deze civiele zaak draait het om de vraag of appellant eigenaar is geworden van een kraanauto die zij in 2006 in Denemarken heeft gekocht van een verkoper die niet beschikkingsbevoegd was. De kraanauto was in 2003 gestolen van Pillat Bau in Duitsland, en NHA, de verzekeraar, was gesubrogeerd in de rechten van Pillat Bau.
De rechtbank had geoordeeld dat appellant niet te goeder trouw was bij de verkrijging van de kraanauto onder Deens recht, waardoor zij geen eigenaar werd en onrechtmatig handelde door de kraanauto niet af te geven. Appellant stelde in hoger beroep dat zij wel te goeder trouw was, maar het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank na uitgebreide analyse van het Deense goederenrecht en de eisen aan goede trouw.
Het hof benadrukte dat goede trouw in Denemarken streng wordt beoordeeld en dat appellant onvoldoende onderzoeksplicht heeft vervuld, zoals het nagaan van de Fahrzeugbrief en navraag bij Duitse instanties. Ook werd geoordeeld dat het ontbreken van de Fahrzeugbrief extra oplettendheid vereiste.
In het incidenteel appel werd de waarde van de kraanauto ter discussie gesteld, maar het hof vond onvoldoende grond om de door de rechtbank vastgestelde waarde van € 120.000 te verhogen. De grieven van beide partijen werden verworpen en de vonnissen bekrachtigd, met een kostenveroordeling voor beide partijen.