De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar wegens het beledigen en in het gezicht spugen van een politieagent tijdens diens rechtmatige dienst. In hoger beroep bevestigde het hof deze strafrechtelijke veroordeling, maar vernietigde het de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding en de tenuitvoerlegging van eerdere veroordelingen.
De benadeelde partij, de politieagent, had een vordering ingediend tot vergoeding van immateriële schade van €300 wegens de beledigingen en het respectloze gedrag van de verdachte. Het hof stelde vast dat het niet noodzakelijk was dat de benadeelde psychisch letsel had opgelopen om aanspraak te maken op schadevergoeding; het aantasten van eer en goede naam volstond.
Het hof kende de benadeelde partij een gedeeltelijke schadevergoeding toe van €150, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De overige schadevergoeding werd afgewezen wegens onevenredige belasting van het strafgeding, met de mogelijkheid voor de benadeelde partij om dit bij de burgerlijke rechter te vorderen.
Daarnaast verklaarde het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke veroordelingen, omdat hierover reeds onherroepelijke beslissingen waren genomen. De verdachte werd verplicht het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer, met een regeling dat betaling aan de Staat of aan de benadeelde partij elkaar uitsluit.
Het arrest werd uitgesproken op 3 november 2017 door het Gerechtshof Den Haag, waarbij één rechter niet kon ondertekenen.