ECLI:NL:GHDHA:2017:4095
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling op grond van hardheidsclausule
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Rotterdam. De rechtbank oordeelde dat appellanten onvoldoende te goeder trouw waren geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, en dat onvoldoende aannemelijk was dat zij hun verplichtingen uit de regeling zouden nakomen.
Het hof heeft het beroep beoordeeld en geconcludeerd dat appellanten niet te goeder trouw zijn geweest met betrekking tot een deel van de belastingschuld, met name de aanslagen inkomstenbelasting over 2014. Wel is vastgesteld dat er geen sprake is van benadeling van schuldeisers en dat appellanten hun financiële situatie inmiddels onder controle hebben, aflossen op schulden en zich inspannen om inkomsten te verwerven.
Gezien deze gewijzigde omstandigheden en het feit dat appellanten hun verplichtingen naar verwachting zullen nakomen, heeft het hof toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. Het bestreden vonnis is vernietigd en de schuldsaneringsregeling wordt alsnog toegepast, met verwijzing naar de rechtbank voor uitvoering.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst appellanten alsnog toe tot de schuldsaneringsregeling op grond van de hardheidsclausule.