Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 maart 2017
[appellant],
1. [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
Het geding
De feiten
Pyrus Communis Conferencegeplant.
Ik begreep van u dat de heer [appellant] mijn verklaring van 02-09-2013 niet duidelijk vond, wat betreft de positie van de tegelmuur ten opzichte van de nieuwe erfafscheiding.
Het is juist, dat vanaf het begin van mijn aanwezigheid op de Meer en Boslaan (december 2002) er tussen jou en [appellant] altijd een stenen erfscheidings-muur heeft gestaan bestaande uit gestapelde tegels met een hoogte van een kleine meter welke liep vanaf mijn rooilijn tot aan jouw garage en lag deze muur een volle tegelbreedte voorbij de achterzijde van jouw garage richting [appellant]. Aan de positie van de rooilijn tussen mij en [appellant], waar geen geschil over kan zijn, kan afgeleid worden dat deze tegelmuur geheel op jou grond lag.
De vorderingen en de beoordeling in eerste aanleg
De beoordeling in hoger beroep
Grief 1bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats komt [appellant] op tegen de opsomming van de feiten in r.o. 2.1 e.v. van het bestreden vonnis. Daarin heeft de rechtbank volgens [appellant] nagelaten te vermelden dat [de hovenier] aanvankelijk de schutting op 25 centimeter afstand van de garage wilde plaatsen, maar dat [geïntimeerde 1] c.s. nadat het conflict was geëscaleerd heeft besloten de schutting op 50 centimeter afstand te plaatsen. Het tweede onderdeel van deze grief is gericht tegen de overweging in r.o. 4.1 van het bestreden vonnis dat de nieuwe schutting op dezelfde plaats staat als de tegelmuur. Met
grief 2voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft nagelaten zijn beroep op misbruik van recht en onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 1] c.s. te beoordelen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank de onrechtmatige gedraging van [geïntimeerde 1] c.s. ten onrechte via verjaring gelegaliseerd. Door zonder toestemming van [appellant] de oude erfafscheiding te slopen, bomen te verplanten en een nieuwe schutting te plaatsen op betwist terrein, heeft [geïntimeerde 1] c.s. eigenrichting gepleegd en onrechtmatige hinder veroorzaakt (artikel 6:162 BW Pro in samenhang met artikel 6:37 BW Pro) en in strijd met artikel 5:49 BW Pro gehandeld. [geïntimeerde 1] c.s. had eerst toestemming moeten vragen of de eigendomskwestie moeten uitprocederen. Voor zover al sprake zou zijn van verjaring (en dus van eigendom) heeft [geïntimeerde 1] c.s. misbruik gemaakt van zijn eigendomsrecht (artikel 3:13 BW Pro).
Grief 3is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van verjaring. Volgens [appellant] zijn de door [geïntimeerde 1] c.s. overgelegde verklaringen die erop neerkomen dat de nieuwe schutting op dezelfde plaats staat als de tegelmuur, onjuist. [appellant] heeft aangetoond dat de tegelmuur tot 25 centimeter uitstak aan de achterkant van de garage (bezien vanaf het perceel van [geïntimeerde 1] c.s.). De nu geplaatste schutting steekt 50 centimeter uit aan de achterkant van de garage. Volgens [appellant] waren de tegelmuur en de pergola gemeenschappelijk eigendom van [appellant] en [geïntimeerde 1] c.s. en mandelig, zodat sprake was van een erfafscheiding als bedoeld in artikel 5:62 BW Pro. [appellant] stelt dat [geïntimeerde 1] c.s. dus de tegelmuur en de pergola niet had mogen verwijderen en de nieuwe schutting niet had mogen optrekken zonder [appellant] om toestemming te vragen of de medewerking van [appellant] te vorderen op grond van artikel 5:49 BW Pro. Met
grief 4komt [appellant] op met tegen het oordeel van de rechtbank dat de leiperen struiken zijn. Volgens [appellant] moeten de leiperen als bomen worden aangemerkt.
Grief 5is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in reconventie dat de nieuwe schutting als gemeenschappelijke scheidsmuur kan worden beschouwd, en partijen voor gelijke delen in de kosten van de schutting moeten bijdragen. Volgens [appellant] is de nieuwe schutting geen gemeenschappelijke dan wel mandelige erfafscheiding, en staat de nieuwe schutting op het perceel van [appellant]. Met g
rief 6verwijt [appellant] de rechtbank dat zij voorbij is gegaan aan de stelling van [appellant] dat sprake is van misbruik van eigendomsrecht (als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro) door [geïntimeerde 1] c.s. Met g
rief 7komt [appellant] op tegen het oordeel dat [geïntimeerde 1] c.s. door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond onder de tegelmuur.
Grief 8is gericht tegen het dictum en de proceskostenveroordeling. Naast deze grieven voert [appellant] nog een ongenummerde grief aan tegen de afwijzing van de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond gelegen achter de garage van [geïntimeerde 1] c.s.
mandeligeerfafscheiding was (volgens [geïntimeerde 1] c.s. bevond de tegelmuur zich volledig op het perceel van [geïntimeerde 1] c.s. en was de muur uitsluitend zijn eigendom) maar ook [geïntimeerde 1] c.s. heeft erkend dat de tegelmuur diende als scheidsmuur tussen beide percelen. Op grond van artikel 5:36 BW Pro geldt een wettelijk vermoeden dat het midden van een muur die als afscheiding van twee erven dient, de grens tussen die twee erven vormt. Het midden van de tegelmuur wordt dus vermoed de grens tussen de percelen van [geïntimeerde 1] c.s. en [appellant] te vormen, behoudens tegenbewijs.