De werknemer trad in 2009 in dienst als kok en werd in 2015 op staande voet ontslagen wegens ongewenste intimiteiten richting vrouwelijke medewerkers. De werkgever baseerde het ontslag op verklaringen van meerdere medewerksters en meldde ook bedreigingen door de werknemer.
In eerste aanleg wees de kantonrechter de vorderingen van de werknemer af, oordelend dat sprake was van misbruik van machtspositie en ongeoorloofde vrijmoedigheden. In hoger beroep betwistte de werknemer de bewijswaardering en het ontslag als ultimum remedium.
Het hof stelde vast dat de omgangsvormen binnen het bedrijf een losse, amicale sfeer met veel fysiek contact kenmerkten, waarbij de werkgever en leidinggevenden niet tijdig hebben ingegrepen. Er was onvoldoende bewijs voor ernstige gedragingen die ontslag op staande voet rechtvaardigen. Het ontslag werd daarom nietig verklaard en de werkgever werd veroordeeld tot loonbetaling en kostenvergoeding.
De uitspraak benadrukt dat ontslag op staande voet een ultimum remedium is en dat alle omstandigheden, inclusief de bedrijfscultuur en persoonlijke omstandigheden van de werknemer, moeten worden meegewogen. Een waarschuwing of lichtere maatregel was hier passend geweest.