ECLI:NL:GHDHA:2018:1104
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen executie woonhuis wegens vermeend misbruik executierecht en bouwkundige gebreken
Appellant werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan STB, die conservatoir beslag had gelegd op zijn woning. NN, als hypotheekhouder, nam de executie over en verzocht om verkoop van de woning. Appellant voerde aan dat de woning ernstige bouwkundige gebreken vertoonde, waardoor verkoop zou leiden tot een restschuld en STB geen belang had bij executie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de woning overwaarde had en dat de door appellant aangevoerde gebreken onvoldoende waren onderbouwd om de verkoop tegen te houden. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze beslissing en voerde aan dat sprake was van misbruik van executierecht en dat de voorzieningenrechter essentiële vormen had verzuimd, waardoor het appelverbod doorbroken kon worden.
Het hof overwoog dat het appelverbod onder artikel 545 lid 3 Rv Pro slechts doorbroken kan worden bij toepassing van de wet ten onrechte of verzuim van essentiële vormen. Het hof oordeelde dat aan de voorwaarden van artikel 545 lid 1 Rv Pro was voldaan en dat het beroep op misbruik van executierecht niet slaagde. Ook was er geen sprake van schending van fundamentele rechtsbeginselen. Het hoger beroep werd verworpen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof verwierp het hoger beroep en bevestigde de beschikking tot voortzetting van de executie van de woning.