Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 29 mei 2018
[appellant],
ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,
[geïntimeerde sub 2],
Het verdere verloop van het geding
Verdere beoordeling van het hoger beroep
Na bewijslevering heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 6 januari 2016 geoordeeld dat vast is komen te staan dat sprake was van een tijdelijke overeenkomst van [appellant] met het Waterlandziekenhuis voor de duur van zes maanden, op grond waarvan [appellant] vanaf 21 juni 2010 werkzaamheden zou verrichten ter ondersteuning van de vaste neurochirurg van het Waterlandziekenhuis [collega appellant]. De rechtbank heeft niet bewezen geacht dat [appellant] en het Waterlandziekenhuis zijn overeengekomen dat [appellant] voor onbepaalde tijd zou worden toegelaten en dat [appellant] nog 10 jaar werkzaamheden zou verrichten in het Waterlandziekenhuis. Hiertegen richten zich de principale grieven van [appellant].
“2.7 [appellant] heeft ingevolge artikel 9 van Pro de vaststellingsovereenkomst het Erasmus
“2.10. Dit geldt temeer nu Erasmus MC, blijkens de in het tussenvonnis onder 2.7. tot en
2.11. Uitgaande van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat Erasmus MC jegens [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen ingevolge de
heeft als getuige hierover verklaard:
“Ik heb toen in dat gesprek [van 25 mei 2010, hof] aangegeven (…) dat ik van [collega appellant] had begrepen dat mijn betrokkenheid in de toekomst een meer vaste basis zou hebben. Ik kreeg de indruk dat [voorzitter] dat ook begreep omdat het in mijn herinnering zo is dat hij dat beaamde. (…) Ik heb waargenomen dat de gehele gespreksteneur continuïteit uitademde. Je
“Op 20 september 2010 heeft er een gesprek plaatsgevonden. Deelnemers aan dit gesprek waren, ikzelf, [collega appellant], [voorzitter] en [naam 4]. Onderwerp van het gesprek was de nieuwe hausse aan klagende patiënten over de geschorste chirurg. Afgesproken werd dat ik die patiënten zou ontvangen omdat ik geen eerdere betrokkenheid had bij de praktijkoefening van die chirurg. In dat gesprek hebben [collega appellant] en ik gedeeld dat wij doende waren met een complicatieregistratie en doende waren om een multidisciplinair overleg van de grond te krijgen. Dat zijn geen dingen die je doet als de samenwerking slechts tijdelijk zou zijn.”
Beslissing
- verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dit zich richt tegen [geïntimeerde sub 2];
- bekrachtigt de tussen partijen gewezen tussenvonnissen van de rechtbank Rotterdam, team haven en handel, van 12 juni 2013 en 6 januari 2016;
- verwijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam ter verdere beoordeling en beslissing;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in het principaal hoger beroep, aan de zijde van Erasmus MC tot op heden begroot op € 5.213,- aan verschotten en € 11.002,- (2 punten tarief VIII) aan salaris advocaat;
- veroordeelt Erasmus MC in de kosten van het geding in het incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 2.751,- (1 punt tarief VIII x 50%) aan salaris advocaat;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.