ECLI:NL:GHDHA:2018:1178

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2018
Publicatiedatum
17 mei 2018
Zaaknummer
22-005364-16
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 359a SvArt. 37 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep belaging met psychische stoornis en plaatsing psychiatrisch ziekenhuis

De verdachte heeft zich gedurende ruim een jaar schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer, voornamelijk via Facebook met het plaatsen van berichten, vriendschapsverzoeken en foto's. Het slachtoffer was bij aanvang van de belaging 16 jaar oud en heeft hierdoor psychosociale schade opgelopen, waaronder het opzeggen van haar bijbaan uit angst.

In eerste aanleg werd verdachte ontslagen van rechtsvervolging en werd plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis gelast. In hoger beroep werd het Openbaar Ministerie ontvankelijk verklaard, maar het hof stelde vast dat verdachte verminderd tot volledig ontoerekeningsvatbaar is. Psychiatrische rapporten wezen op een lichte verstandelijke beperking, alcoholmisbruik en erotomane wanen.

Het hof achtte behandeling in een klinische setting noodzakelijk vanwege het gevaar voor zowel het slachtoffer als de verdachte zelf. De verdachte bleef ondanks detentie en contactverboden volharden in zijn gedrag, vaak onder invloed van alcohol. Daarom werd de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar opgelegd.

Het hof vernietigde het eerdere vonnis voor zover het de maatregel betrof en deed in dat onderdeel opnieuw recht, waarbij de overige beslissingen van de rechtbank werden bevestigd.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid en geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor één jaar.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005364-16
Parketnummers: 09-818898-15 en 09-818374-16
Datum uitspraak: 2 mei 2018
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 november 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1983,
thans gedetineerd [x].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van dit hof op 9 mei 2017, 12 december 2017 en 18 april 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het bij dagvaardingen met de parketnummers
09-818898-15 en 09-818374-16 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar zal worden opgelegd. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, onder niet-ontvankelijkverklaring voor het overige, en dat een schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ten aanzien van de bij dagvaarding I met parketnummer 09-818898-15 en dagvaarding II met parketnummer 09-818374-16 ten laste gelegde feiten ontslagen van alle rechtsvervolging en is de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis gelast voor de termijn van maximaal één jaar. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis vermeld.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 31 maart 2016 - ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I, parketnummer 09-818898-15:hij in of omstreeks de periode van 16 februari 2015 tot en met 08 augustus 2015 te Leiden, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door (ondanks dat die [slachtoffer] aan verdachte had laten weten haar met rust te laten),
- veelvuldig berichten aan die [slachtoffer] te sturen via berichtenservice Messenger en/of
- veelvuldig een vriendschapsverzoek aan die [slachtoffer] te verzenden via FaceBook en/of
- veelvuldig op zijn eigen (openbare) FaceBook-pagina berichten (al dan niet seksueel getint) te plaatsen waarin die [slachtoffer] en/of de vriend van die [slachtoffer] worden genoemd;
Dagvaarding II, parketnummer 09-818374-16:hij in of omstreeks de periode van 16 mei 2016 tot en met 15 juli 2016 te Leiden, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, door (ondanks dat die [slachtoffer] aan verdachte had laten weten haar met rust te laten en hij hiervan ook op de hoogte was door een lopende vergelijkbare strafzaak),
- veelvuldig op zijn eigen (openbare) FaceBook-pagina berichten te plaatsen waarin die [slachtoffer] wordt genoemd en/of een of meer foto(s) van haar wordt/worden geplaatst.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen - (primair) bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging, op de grond dat het Openbaar Ministerie doelbewust, althans met grove veronachtzaming, de rechten van de verdachte heeft geschonden.
Het Openbaar Ministerie heeft niet alert gereageerd op verzoeken van de zijde van de verdediging (onder andere tot het doen opmaken van een nieuw reclasseringsrapport), waardoor het recht van de verdachte op een “compleet en volledig dossier” is geschonden en de behandeling van de zaak in hoger beroep onredelijk lang heeft geduurd, aldus de raadsman.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op grond van een vormverzuim in het vooronderzoek is volgens artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering slechts plaats indien het om een onherstelbaar vormverzuim gaat. Hierop strandt het verweer reeds voor wat betreft de gestelde schending van het recht op een “compleet en volledig dossier”. Immers, gesteld noch gebleken is dat het procesdossier thans nog lacunes vertoont.
Wat betreft de gestelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geldt het volgende. Voorop wordt gesteld dat de enkele overschrijding van de redelijke termijn volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt, doch hoogstens tot strafvermindering. Het onderhavige appel is ingesteld op 29 november 2016. Het hof doet derhalve ruim 17 maanden nadien uitspraak. Als uitgangspunt voor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro geldt dat het gerecht binnen 16 maanden tot een uitspraak dient te komen in geval de verdachte voorlopig gehecht is in verband met de zaak. Het hof stelt vast dat deze termijn in het onderhavige geval is overschreden, zij het in geringe mate. Wat betreft de gewraakte gang van zaken rond het aanvragen van een nieuw reclasseringsrapport overweegt het hof dat dit inderdaad onnodig lang heeft geduurd, doch dat de zaak vervolgens zo snel mogelijk op zitting is gebracht, hetgeen de opgelopen vertraging grotendeels heeft gecompenseerd. Om die reden zal het hof aan de geconstateerde termijnoverschrijving geen gevolgen verbinden, nog daargelaten dat vermindering van straf in dit geval geen optie is, gelet op de op te leggen sanctie.
Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. Het verweer wordt verworpen.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de oplegging van de maatregel en de motivering daarvan.
In dit opzicht zal het hof opnieuw beslissen.
Voor het overige verenigt het hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis.
Motivering van de op te leggen maatregel
In hoger beroep zijn ten aanzien van de verdachte nieuwe NIFP-rapportages opgemaakt.
Psychiater G.H.E. van Hoecke (rapport d.d. 21 augustus 2017) heeft aangeven dat bij de verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking en een lichte stoornis in het gebruik van alcohol die van invloed waren op zijn keuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. De verdachte moet worden gezien als een ‘stalker met intimiteitswanen’. Hij uitte erotomanische gedachten enkel onder invloed van alcohol. De verdachte heeft grote psychosociale schade opgelopen als gevolg van zijn stalking-gedrag. Door zijn verstandelijke beperking wordt hij niet in staat geacht zich hier zelfstandig doorheen te werken. Zijn sociale onvermogen is groot. De verdachte is sociaal geïsoleerd, zijn slachtofferempathie is beperkt en zijn middelengebruik is – door de detentie - gedwongen in remissie, maar was daarvoor occasioneel heftig. Het risico op het gebruik van geweld wordt laag ingeschat en het risico op volharding gemiddeld.
Ondanks zijn verstandelijke beperking had de verdachte er voldoende besef van kunnen hebben dat hij geen middelen zou moeten gebruiken. Hij heeft begrepen dat hij kansloos is om een relatie met aangeefster aan te gaan, maar het blijft een keuze van hem om al dan niet contact met haar te zoeken en het valt niet uit te sluiten dat hij dit tegen beter weten in opnieuw zal doen. De psychiater heeft geadviseerd om de verdachte de feiten verminderd toe te rekenen en hem bijzondere voorwaarden in het kader van een deels voorwaardelijk strafdeel op te leggen, waarbij aanvankelijk een klinische opname in het SGLVG-circuit aangewezen zal zijn en geleidelijk naar resocialisering kan worden toegewerkt.
Klinisch psycholoog R.K.F. Lemmens (rapport d.d. 30 augustus 2017) heeft vermeld dat bij de verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking en van alcoholmisbruik waarbij excessief alcoholgebruik als copingmechanisme wordt aangewend. Ten tijde van het delict was sprake van een erotomane waan met betrekking tot aangeefster, mogelijk in het kader van schizofrenie. Mensen met deze waan voelen een zeer sterke drang te handelen naar deze gevoelens. De verdachte werd hier destijds volledig door gepreoccupeerd. Het lukte hem niet om ondanks de negatieve gevolgen die dit voor hem had zich te onthouden van het schrijven van berichten over aangeefster. Hij heeft gepoogd zijn gevoelens met alcohol te dempen, maar het resultaat was dat zijn remmingen werden verminderd en zijn gevoel versterkt. Het risico op geweld wordt als laag-gemiddeld ingeschat, het risico op volharding evenals het risico op terugval hoog.
Het risico op psychosociale schade voor de verdachte zelf wordt hoog ingeschat. De psycholoog adviseert de verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet toe te rekenen en hem in het kader van artikel 37 van Pro het Wetboek van Strafrecht eerst een periode in een kliniek te laten verblijven, waarna hij naar een traject van beschermd wonen zou kunnen worden geleid waar hij ondersteund kan worden bij praktische en psychische problemen.
Beide rapporteurs zijn het in grote lijnen eens voor wat betreft het interventieadvies, te weten een aanvankelijk klinische behandeling gevolgd door ambulante begeleiding, maar niet over het juridisch kader waarin dit traject dient plaats te vinden, hetgeen verband houdt met hun verschillende conclusies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Van Hoecke geeft aan dat de begeleiding als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel zou dienen plaats te vinden, terwijl Lemmens adviseert tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van artikel 37 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
P. Remmerswaal van Bouman GGZ heeft op verzoek van het hof op 23 maart 2018 een reclasseringsadvies uitgebracht. Mede gelet op het uiteenlopen van de adviezen van voornoemde Pro Justitia adviseurs onthoudt de reclassering zich van het geven van advies over de op te leggen sanctie. Voor het geval het tot een veroordeling komt zijn echter risicofactoren in kaart gebracht en is een plan van aanpak opgesteld, onder meer inhoudende dat de verdachte wordt verplicht tot opname in een Forensisch Psychiatrische instelling gericht op mensen met LVB-problematiek en dat hij aansluitend op deze klinische behandeling wordt verplicht om mee te werken aan een ambulante behandeling.
Het hof overweegt omtrent de op te leggen straf of maatregel als volgt.
Bewezen verklaard is dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] in de periode van 16 februari 2015 tot en met 8 augustus 2015 en in de periode van 16 mei 2016 tot en met 15 juli 2016. De belaging heeft voornamelijk plaatsgevonden via Facebook (en Facebook Messenger) waarbij de verdachte veelvuldig berichten over aangeefster plaatste, waaronder een erotisch getint bericht waarin aangeefster bij haar volledige naam werd genoemd. Voorts heeft hij haar vele vriendschapsverzoeken gestuurd en foto’s van aangeefster op zijn (openbare) Facebookpagina geplaatst. De verdachte heeft aangeefster ook opgezocht in de winkel waar ze toen werkte. Aangeefster was bij aanvang van de belaging pas 16 jaar. De belaging heeft grote impact gehad op haar leven, zoals nog is gebleken uit haar in hoger beroep afgelegde slachtofferverklaring. Zo heeft zij bijvoorbeeld haar bijbaan in de winkel waar zij werkte opgezegd omdat zij bang was dat de verdachte haar daar weer zou opzoeken.
Tussen de eerste en de tweede periode van de bewezen verklaarde feiten is de verdachte voor deze feiten gedetineerd geweest en is hij meermalen geschorst onder - onder meer - de voorwaarde van een contactverbod met [slachtoffer]. Dit verbod heeft hij telkens overtreden, waarna hij opnieuw gedetineerd raakte.
In afwachting van de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte langere tijd gedetineerd geweest. Op 9 februari 2018 is hij echter wederom onder voorwaarden - waaronder een contactverbod - geschorst. Het contactverbod bleek reeds op 12 februari 2018 opnieuw door hem geschonden, waarna de verdachte weer in detentie geraakte. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard tijdens de schorsing veel alcohol te hebben gebruikt en daardoor niet veel meer te weten van het overtreden van het contactverbod.
Het hof overweegt dat het meest zorgelijke in het gedrag van de verdachte zijn vasthoudendheid is, hij blijft volharden in het (via Facebook) contact zoeken met (familieleden van) aangeefster zodra hij zich niet meer in detentie bevindt. Dat hij dit naar eigen zeggen slechts doet wanneer hij onder invloed van alcohol is maakt dit niet anders, nu is gebleken dat hij evenmin in staat is om zelfstandig te stoppen met het drinken van alcohol. Overigens is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de preoccupatie met aangeefster zich uitsluitend voordoet als de verdachte onder invloed is.
Gebleken is bovendien dat ook de negatieve gevolgen voor de verdachte zelf hem er niet van kunnen weerhouden aangeefster opnieuw te belagen.
Gelet op het vorenstaande acht het hof het advies van de psychiater dat de verdachte (slechts) verminderd toerekeningsvatbaar is niet begrijpelijk. Het hof zal het rapport in zoverre naast zich neer leggen. De overige in het rapport genoemde conclusies worden wel door het hof overgenomen.
Het hof neemt voorts de conclusies en adviezen van de psycholoog over, ook voor zover deze inhouden dat dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.
De verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat behandeling en begeleiding in een verplicht kader, binnen een klinische setting, noodzakelijk is.
Het hof is voorts van oordeel dat sprake is van gevaar, zowel voor psychische schade voor aangeefster, die reeds langere tijd onder de belaging lijdt, als voor de verdachte zelf, die door zijn handelen psychosociale schade heeft opgelopen en niet in staat is zelfstandig zijn leven weer op orde te krijgen en deze schade alsmede het risico op maatschappelijke teloorgang te beperken.
Het hof zal daarom bepalen dat de maatregel als bedoeld in artikel 37 van Pro het Wetboek van Strafrecht, te weten plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van maximaal één jaar, wordt opgelegd. Het hof stelt vast dat is voldaan aan de voorwaarden die door de wet worden vereist, te weten dat bij de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis, waardoor de bewezen verklaarde feiten de verdachte niet kunnen worden toegerekend en de veiligheid van anderen en hemzelf het opleggen van de maatregel eist.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de oplegging van de maatregel en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Gelast de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van
1 (één) jaar.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma,
mr. M.C.R. Derkx en mr. H.J.M. Smid-Verhage, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 mei 2018.