ECLI:NL:GHDHA:2018:136
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling draagkracht en ingangsdatum wijziging
In deze zaak staat de hoogte en ingangsdatum van de kinderalimentatie centraal die de vader aan de moeder moet betalen voor hun minderjarige kinderen. De moeder verzoekt een hogere alimentatie met een eerdere ingangsdatum dan de rechtbank had vastgesteld. De vader verzet zich tegen deze verzoeken en stelt onder meer dat de moeder de rechtbank heeft misleid.
Het hof stelt vast dat de vader door een ernstige bipolaire stoornis arbeidsongeschikt is en tijdens het indienen van het verzoekschrift in een kliniek verbleef, waardoor een advocaat aan hem is toegevoegd. De ingangsdatum van 26 oktober 2016, zoals door de rechtbank bepaald, wordt door het hof gehandhaafd omdat de vader toen niet in staat was om verweer te voeren.
De behoefte van de kinderen is vastgesteld op € 605,- per maand per kind in 2016, met een wettelijke indexering naar € 618,- in 2017. De draagkracht van de vader wordt berekend op basis van zijn fiscale loon en vermogen, waarbij het hof geen rekening houdt met een schuld voor een auto die de vader is aangegaan, omdat dit niet verwijtbaar is maar wel vermijdbaar gezien zijn vermogen in box 3.
De alimentatie wordt vastgesteld op € 348,- per maand per kind voor de periode van 25 oktober 2016 tot 1 januari 2017 en € 319,- per maand per kind vanaf 1 januari 2017. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof wijst de overige verzoeken af.
Uitkomst: Het hof stelde de kinderalimentatie vast op € 348,- per maand per kind vanaf 25 oktober 2016 en € 319,- per maand per kind vanaf 1 januari 2017, met behoud van de ingangsdatum zoals door de rechtbank bepaald.