Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 17 april 2018
Het geding
De verdere beoordeling van het hoger beroep
Bewijsopdracht
- Met welke financiële middelen – anders dan overgespaarde niet gedeelde inkomsten – zijn de bij hem bij de oprichting geplaatste aandelen [Naam Een] B.V. volgestort?;
- Heeft de man na de uitgifte aan hem van de aandelen [Naam Een] B.V. nog gelden aangewend met betrekking tot zijn volstortingsplicht ter zake van deze bij hem geplaatste aandelen en zo ja op welke wijze en met welke gelden?;
- Betreft de overboeking van de man aan [Naam Een] B.V. i.o. van het bedrag van NLG 14.000 een geldlening?
- Akte van oprichting d.d. 11 december 1998 van [Naam Een] B.V. In de akte wordt verwezen naar de bankverklaring als bedoeld in artikel 175 en Pro artikel 203a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, die aan de akte van oprichting is gehecht;
- De brief van ING d.d. 9 november 1998 gericht aan [naam] notarissen. Uit de brief volgt dat er op 9 november 1998 een creditsaldo was van NLG 121.890,83 en dat voormeld creditsaldo ter grootte van NLG 40.000,- volgens mededeling van mede-ondergetekende(n) is ontstaan ten titel van storting op de bij de oprichting van voormelde vennootschap te plaatsen aandelen;
- Aangifte vennootschapsbelasting 1998 op briefpapier van Price Waterhouse Coopers (PWC) waaruit volgt dat er eind 1998 een vordering was op de aandeelhouder van NLG 10.200,-;
- Balans [Naam Een] B.V. waaruit volgt dat voormelde vennootschap op 31 december 1998 een vordering had op de aandeelhouder van NLG 10.200,-;
- Aangifte vennootschapsbelasting 1999 op briefpapier van PWC waaruit volgt dat er eind 1999 een vordering was op de aandeelhouder van NLG 21.397,-;
- De balans van [Naam Een] B.V. 1999. Uit deze balans volgt dat voormelde vennootschap op 31 december 1999 een vordering had op de aandeelhouder van
- Aangifte vennootschapsbelasting 2000 op briefpapier van PWC waaruit volgt dat er eind 2000 een vordering was op de aandeelhouder van NLG 49.943,-;
- De balans van [Naam Een] B.V. 2000. Uit deze balans volgt dat voormelde vennootschap op 31 december 2000 een vordering had op de aandeelhouder van
- Aangifte vennootschapsbelasting 2001 op briefpapier van PWC waaruit volgt dat er eind 2001 een vordering was op de aandeelhouder van NLG 72.975,-;
- De balans van [Naam Een] B.V. 2001. Uit deze balans volgt dat voormelde vennootschap op 31 december 2001 een vordering had op de aandeelhouder van
- De schuld van NLG 14.000,- van [Naam Een] B.V. aan de man was al aan het einde van 1998 door middel van verrekening afgelost, toen bleek dat de man in de periode van het ontstaan van de B.V. i.o. tot 31 december 1998 meer gelden aan de vennootschap had onttrokken. De wederzijdse vorderingen zijn toen verrekend tot een beloop van NLG 14.000,-;
- Per 31 december 1998 heeft [Naam Een] B.V. een vordering op de man en dit geeft impliciet aan dat de lening die is verstrekt door [Naam Een] B.V. door middel van verrekening teniet is gegaan;
- [Naam Twee] B.V. is opgericht door [Naam Een] B.V. en [Naam Drie] B.V.. Daarbij zijn 284 aandelen uitgereikt aan [Naam Een] B.V. en 116 aandelen van [Naam Drie] B.V..
- Er schijnt een lening te zijn van de man aan [Naam Een] B.V., maar ik zie nergens waar die lening is gebleven, dan wel is afgelost;
- Ik ben van mening dat dividend inkomen is, dat in het kader van de huwelijkse voorwaarden die partijen zijn aangegaan, had moeten worden verrekend. De vrouw zag dat als een investering in de onderneming;
- In de opbouwfase werd alles gestoken in het bedrijf, waarmee wordt bedoeld [Naam Een] B.V. en daaraan gelieerde vennootschappen;
- De vrouw heeft zuinig geleefd, zodat het geld in het bedrijf kon worden gelaten, zodat de opbouw goed ging.
Moeten de niet uitgekeerde winsten in de verrekening worden betrokken?
bedoelingvan de aanstaande echtlieden was dat de opbrengst uit arbeid zou worden verrekend.
bedoelingvan partijen was alle inkomsten uit arbeid te verrekenen. Het hof verwijst naar randnummer 4.1.
- Blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 6 oktober 2006 ECLI:NL:HR:2006:AX8847 heeft de wetgever ervan afgezien de begrippen inkomsten en vermogen in de regeling betreffende verrekenbedingen te omschrijven. De wetgever heeft de invulling van het begrip inkomen overgelaten aan partijen in samenspraak met de notaris;
- Wat onder verrekenbaar inkomen dient te worden verstaan hebben partijen dan ook geregeld in hun huwelijkse voorwaarden. Daarbij is aansluiting gezocht bij het inkomen, zijnde loon, uitkeringen, waaronder pensioenuitkeringen en winst waarover inkomstenbelasting is verschuldigd;
- In de huwelijkse voorwaarden is geen verwijzing gemaakt naar artikel 1:126 BW Pro (oud);
- In redelijkheid kan aan het inkomensbegrip in de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden geen andere betekenis toekomen dan dat daarmee wordt bedoeld inkomen waarover inkomstenbelasting verschuldigd is;
- Wanneer de man een directeursfunctie zou gaan bekleden, mochten partijen verwachten dat de arbeidsbeloning met deze functie in overeenstemming zou zijn;
- Niet veronachtzaamd dient te worden dat de inkomsten die [Naam Een] B.V. genereerde in de eerste plaats een uitkering betrof afkomstig uit [Naam Twee] B.V.;
- De man biedt uitdrukkelijk bewijs aan van zijn stelling dat hij niet bij machte is om zelfstandig te beslissen, dat de winsten van [Naam Twee] B.V. hem middellijk ten goede komen;
- De man heeft vanaf 1992 tot en met 2004 een verloop gegeven van zijn inkomen uit arbeid. Op het moment van het aangaan van de huwelijkse voorwaarden had de man een inkomen van € 28.588,- en in 2004 had hij een inkomen van € 75.600,-. Het overzicht demonstreert een bestendig inkomen passend bij de functie van de man met welk inkomen partijen overeenkomstig de welstand waaraan zij gewend waren voldoende middelen ter beschikking stond.
- Ter vaststelling van de omvang van de vrij uitkeerbare opgepotte winsten en derhalve van de verrekenvordering zal naar de mening van de man de waarde van de deelnemingen ingevolge de balans op het eigen vermogen van de vennootschap in mindering moeten worden gebracht, in welk verband tevens rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in artikel 2:389 BW Pro en met het bepaalde in artikel 2:216 BW Pro mede in verband met de pensioenverplichting van de vennootschap jegens de man;
- De man is van mening dat er aan opgepotte winsten aanwezig is een bedrag van