ECLI:NL:HR:2006:AX8847
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- E.J. Numann
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Uitleg periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden over inkomen uit arbeid en ondernemingswinsten
In deze zaak staat de uitleg centraal van een periodiek verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden tussen voormalige echtelieden, waarbij het geschil zich richt op de vraag of het begrip 'inkomsten uit arbeid' ook de (ondernemings)winsten uit de vennootschappen van de man omvat.
Partijen zijn in 1985 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met algehele uitsluiting en een verrekenbeding dat zich beperkt tot inkomsten uit arbeid. Tijdens het huwelijk is geen uitvoering gegeven aan het verrekenbeding. De man was directeur en aandeelhouder van meerdere vennootschappen. Na ontbinding van het huwelijk verzocht de vrouw onder meer betaling van een groot bedrag en verrekening van vermogensbestanddelen, waaronder de niet uitgekeerde winsten van de vennootschappen.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het verrekenbeding beperkt is tot loon uit dienstbetrekking en vergelijkbare uitkeringen, en niet de ondernemingswinsten omvat. De vrouw kon geen aanspraak maken op de in de vennootschappen opgebouwde winsten, mede omdat zij onvoldoende feiten had gesteld die een ruimere uitleg rechtvaardigen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de uitleg van het verrekenbeding volgens het Haviltex-criterium geschiedt en dat de wetgever bewust heeft overgelaten aan partijen om het begrip inkomen te definiëren.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het beding geen verrekening van ondernemingswinsten omvat, ook niet impliciet. De vrouw kan op grond van art. 1:141 lid 4 BW Pro geen aanspraak maken op niet uitgekeerde winsten, aangezien het beding dit niet beoogt. De beslissing van het hof blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het verrekenbeding omvat geen ondernemingswinsten en de vrouw heeft geen aanspraak op deze winsten.