ECLI:NL:GHDHA:2018:1469
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing uitvoerbaarverklaring voorlopige zorgregeling in hoger beroep
Partijen hadden een affectieve relatie en een minderjarige dochter, erkend door de man met gezamenlijk gezag. Zij woonden in België. Na beëindiging van de relatie werd in kort geding een voorlopige zorgregeling vastgesteld. De vrouw weigerde deze na enkele contactmomenten uit te voeren vanwege vermeend zorgelijk gedrag van de minderjarige.
De voorzieningenrechter veroordeelde de vrouw tot nakoming van de regeling met een dwangsom en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw vorderde in hoger beroep schorsing van deze uitvoerbaarverklaring, stellende dat de regeling te belastend was voor de minderjarige.
Het hof oordeelde dat geen sprake was van een juridische of feitelijke misslag in het vonnis en dat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat het belang van de minderjarige zwaarder woog dan het belang van de man bij omgang. Ook waren er geen nieuwe feiten die schorsing rechtvaardigden. De vordering tot schorsing werd afgewezen en partijen droegen ieder hun eigen kosten.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en laat de voorlopige zorgregeling ongewijzigd.