Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking van 17 juli 2018
3. Tigris Water Fund Pte. Ltd.,een vennootschap naar het recht van Singapore, aldaar gevestigd,
4. Odyssey Capital Pte. Ltd.,een vennootschap naar het recht van Singapore, aldaar gevestigd,
5. Tigris Infrastructure Partners Pte. Ltd.een vennootschap naar het recht van Singapore, aldaar gevestigd,
6. [naam 1] ,wonende te [woonplaats 1] ,
7. [naam 2] ,wonende te [woonplaats 1] ,
[naam 3] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
anchor investorveilig te stellen, en indien hij daarin succesvol zou zijn, dat hem daarvoor een
succes feezou worden voldaan bestaande uit 10% van het belang van de fondsmanagers in de
general partnervan het op te richten fonds, en (ii) een
retainer feeindien [geïntimeerde] erin zou slagen een ontwikkelingsbudget voor het fonds (benodigd ter dekking van de opstartkosten van het fonds) te verkrijgen.
carried interest. Dat is de aanspraak van de general partner op 20% van het door de fondsmanagers gerealiseerde resultaat, een resultaat geboekt met de inleg van de investeerders. Het belang van de succes fee gaat in wezen om een aandeel in de carried interest, en niet zozeer om aandelen in de general partner.
grief IIbetogen Odyssey Water c.s. dat de rechtbank heeft nagelaten hen – met uitzondering van Odyssey Water GP Partners – op te roepen en te horen alvorens een beslissing te nemen op het verzoek van [geïntimeerde] en dat daarmee het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Het hoger beroep is met het aanvoeren van deze doorbrekingsgrond ontvankelijk.
grief Ibetogen Odyssey Water c.s. dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is getuigen te horen omdat de hoofdzaak slechts aan een buitenlandse rechter kan worden voorgelegd. In aansluiting daarop wordt met
grief IIIbetoogd dat de rechtbank Rotterdam relatief onbevoegd is omdat het grootste aantal van de opgegeven getuigen niet in het rechtsgebied van de rechtbank Rotterdam woonachtig is. Omdat het processuele debat zich bij deze grieven toespitst op de toepassing van art. 6 Rv Pro in het kader van art. 187 lid 1 Rv Pro, lenen deze zich voor gezamenlijke behandeling.
Beslissing
- vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2017;
- wijst het verzoek van [geïntimeerde] af;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van appellanten 2 tot en met 7 tot op heden begroot op € 1.518,-- aan salaris advocaat (tarief II, 2 punten);
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.