ECLI:NL:GHDHA:2018:1845
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake verjaring vordering kennelijk onredelijk ontslag en onrechtmatige daad
Appellant was sinds 2006 in dienst bij een vennootschap die in 2010 werd overgenomen door Wyser B.V. In 2014 vroeg Wyser toestemming aan het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens bedrijfseconomische redenen, welke toestemming werd verleend. Appellant voerde verweer tegen het ontslag en stelde dat Wyser onvoldoende herplaatsingsinspanningen had verricht en het UWV had misleid.
De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af omdat de vordering uit kennelijk onredelijk ontslag was verjaard en onvoldoende was gebleken van onrechtmatig handelen. In hoger beroep stelde appellant dat het beroep op verjaring onaanvaardbaar was en dat het ontslag onrechtmatig was vanwege misleiding van het UWV en schending van goed werkgeverschap.
Het hof oordeelde dat het beroep op verjaring niet onaanvaardbaar was, mede gelet op de rechtszekerheid en het ontbreken van bijzondere omstandigheden. De opzegging kon niet als onrechtmatige daad worden aangemerkt omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had gesteld die dat rechtvaardigen. Ook was er geen ruimte om de opzegging alsnog te toetsen aan het goed werkgeverschap buiten het gesloten stelsel van het ontslagrecht.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep. Het bewijsaanbod van appellant werd als niet ter zake dienend gepasseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellant af wegens verjaring en onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen.