Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 14 augustus 2018
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[appellante],gevestigd te Yerseke, gemeente Reimerswaal,appellante in het principaal beroep,
STAAT DER NEDERLANDEN(ministerie van Economische Zaken)zetelend te Den Haag,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
(2.1) [appellante] (hierna: [appellante]) is een bedrijf dat sinds 1960 lege kokkelschelpen in haar producten verwerkt. Het merendeel van de schelpen wordt als calciumbron verwerkt in vogelgrit (voor duiven en kippen). Een klein deel wordt verwerkt tot bodembedekker (schelpenzand). Voorts produceert het bedrijf onder meer roodsteen en maagkiezel ten behoeve van vogels.
(2.2) De kokkelschelpen werden verkregen door de mechanische kokkelvisserij in de Waddenzee. Nadat het visvlees uit de kokkelschelpen was verwijderd/was weggerot, werden deze schelpen door [appellante] verwerkt. Tijdens het rottingsproces waren de kokkelschelpen opgeslagen in een loods van het bedrijf European Shell Store B.V. (hierna: ESS).
(2.3) Bij brief/persbericht van 11 december 2003 heeft de minister van LNV naar aanleiding van de evaluatie van het schelpdiervisserijbeleid (EVA II) laten weten na te zullen gaan met welke maatregelen een vitale schelpdiervisserij kan worden behouden die geen onomkeerbare schade aan de natuur toebrengt.
(2.4) Bij brief van 28 juni 2004 heeft het toenmalige kabinet zijn Waddenzeebeleid aan de Tweede Kamer uiteengezet. Daarbij is geoordeeld dat de mechanische kokkelvisserij onvoldoende mogelijkheden had om zich duurzaam te ontwikkelen en daarom niet paste binnen het uitgangspunt van ecologisch duurzame economische ontwikkeling van de Waddenzee. Dit heeft het kabinet doen besluiten om vanaf 1 januari 2005 geen vergunningen meer af te geven voor het mechanisch vissen van kokkels in de Waddenzee (hierna: het Kabinetsbesluit). Daarbij heeft de Minister van LNV de kokkelvissers toegezegd een redelijke vergoeding te zullen betalen voor de hierdoor geleden schade. Vervolgens is de Commissie Schadebepaling Kokkelvisserij (hierna: de Schadecommissie) ingesteld om te adviseren over de hoogte van de te betalen nadeelcompensatie.
(2.5) [appellante] heeft zich op 10 december 2004 schriftelijk tot de Schadecommissie gewend met een verzoek om nadeelcompensatie. Op 24 januari 2005 heeft zij in een presentatie haar verzoek aan de Schadecommissie toegelicht.
(2.6) Bij brief van 20 mei 2005 heeft de Schadecommissie onder meer bericht dat volgens haar voorlopige bevindingen in de categorie "Aanverwante bedrijven" twee bedrijven vallen en dat de Schadecommissie zal nagaan of deze bedrijven voor schadevergoeding in aanmerking komen en zo ja, welk bedrag redelijk zou zijn. Met deze twee bedrijven waren bedoeld [appellante] en ESS.
(2.7) Bij brief van 28 juni 2005 heeft de Schadecommissie aan [appellante] bericht dat zij de Minister zal adviseren dat de door [appellante] geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat deze volgens de Commissie niet het gevolg is van het Kabinetsbesluit.
(2.8) Bij brief van 15 september 2006 heeft ook de Minister van LNV aan [appellante] bericht dat de door haar geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de schade in een te ver verwijderd verband staat met het Kabinetsbesluit.
De grieven van [appellante] in het principaal appel
- een verklaring voor recht dat de Staat jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade van [appellante];
- veroordeling van de Staat tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 2.281.925,-- , althans een door de rechtbank ex aequo et bono te bepalen bedrag, aan schadevergoeding, met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2011, althans vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg;
- terugbetaling door de Staat van hetgeen [appellante] uit kracht van het vonnis ten onrechte aan de Staat heeft betaald, met wettelijke rente;
- veroordeling van de Staat in de proceskosten in beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, met wettelijke rente daarover.
beoordeling van grieven II en III
beoordeling van grief IV
beoordeling van de grieven V, VI en XI (het gelijkheidsbeginsel)
rechtstreekscausaal verband tussen het rechtmatige overheidsoptreden en de schade (zie onder meer ABRvS 9 juni 2004, BR 2004/164 en de overige vindplaatsen genoemd in de memorie van antwoord onder 4.5.8.). Reeds hierom dient de vordering op deze grondslag te stranden.
mogelijkheidbestond dat nog geen definitieve maatregelen genomen zouden worden. Er volgt dan ook niet uit dat [appellante] erop mocht vertrouwen dat de mechanische kokkelvissers, in weerwil van EVA II, zouden mogen blijven vissen in de Waddenzee, althans dat er geen nadere maatregelen op korte termijn zouden worden getroffen.
beoordeling van grief XII (de redelijkheid en billijkheid)
beoordeling van de grieven XIII en XIV