ECLI:NL:GHDHA:2018:2101
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsingsverzoek uitvoerbaarheid bij voorraad vervangende toestemming schoolinschrijving minderjarige
In deze civiele zaak ging het om een verzoek van de moeder (vrouw) om de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking van de rechtbank te schorsen. De rechtbank had de vader toestemming gegeven om de minderjarige in te schrijven op een basisschool nabij zijn woning, en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw stelde dat dit in strijd was met het belang van de minderjarige, die volgens haar naar een school bij haar in de buurt zou moeten gaan. Zij voerde aan dat de rechtbank een juridische misslag had begaan door ook belangen van de ouders mee te wegen en niet alleen het belang van het kind. De man voerde verweer en stelde dat de vrouw geen zwaarwegend belang had bij schorsing en dat de schoolkeuze mede was gebaseerd op eerdere gezamenlijke afspraken.
Het hof oordeelde dat de rechtbank de belangen van de minderjarige wel degelijk had betrokken en dat het betoog van de vrouw onvoldoende was om te concluderen dat sprake was van een juridische misslag. Bovendien woog het belang van de man en de praktische gevolgen mee. Het verzoek tot schorsing werd daarom afgewezen. De kosten van de procedure werden gecompenseerd en de hoofdzaak wordt op een later tijdstip voortgezet.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de vervangende toestemming voor inschrijving van de minderjarige op de school van de vader wordt afgewezen.