Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.De Ontvanger van de Belastingdienst Rijnmond,
2.De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
grief Ibetoogt [appellant] dat hij in het tussenvonnis van 16 mei 2012 ten onrechte is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat het geld voor de onroerende zaak (al dan niet via tussenschakels) afkomstig was van [X] en [Y].
natuurlijk betaald (is) van geld dat [X] heeft verdiend met de handel in verdovende middelen.” De rechtbank was van oordeel dat aan die verklaring, die onder 4.5 van het bestreden tussenvonnis uitgebreid is weergegeven, een aanwijzing kan worden ontleend dat de onroerende zaak (in wezen) is gekocht met drugsgeld van [X] – dus
nietmet een lening.
[X] een hele hoop geld verdiend (zal) hebben met de handel” maar dat zij geen idee heeft waar al dat geld is. Voorts wijst [appellant] op de verklaring van [X] van juli 2007: “
Ik denk dat mijn vrouw [Y] denkt dat ik nog steeds in de gokhandel zit (…) in mijn gemeenschap weten vrouwen niet alles.”
Waar halen wij zoveel geld vandaan om zo’n duur huis te kopen.” Voor het feit dat zij in haar latere verklaring een tegengesteld standpunt heeft ingenomen en heeft verklaard dat het huis niet met het drugsgeld is betaald, heeft [Y] geen overtuigende verklaring gegeven.