Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 augustus 2018
[appellante],
Stichting Vestia,
Het geding
De feiten
- 9-12-2006: Brand in de oude woning van [appellante]. [appellante] had het flesje van haar dochter opgewarmd, maar had per ongeluk de verkeerde pit aangezet, waardoor rookontwikkeling ontstond in de keuken.
- 7-1-2010 [opmerking hof: het nummer in het bedrijfsprocessensysteem van de politie verwijst naar het jaar 2008]: Brand in de woning [adres 1]. [appellante] had een kaarsje aangestoken. De slaapkamer is nagenoeg uitgebrand en de vloer was doorgebrand. Woning onbewoonbaar.
- 20-9-2013 (9.45 uur): Naar aanleiding van een melding van de buren is de politie naar de [adres 2] gegaan. Buren hebben al lange tijd last van [appellante]. Het gaat met name om geluidsoverlast en geschreeuw. Dit is ook gemeld bij Vestia. [appellante] opende de deur en rochelde met tandpasta naast de politiemedewerkers. Gesprek op normaal geluidsniveau was niet mogelijk. [appellante] bleef schreeuwen dat het haar niet interesseerde.
- 20-9-2013 (10.43 uur): Melding ruziezoekende personen voor [adres 2]. Ter plaatse geen personen aangetroffen. Deur van de woning stond open en de radio in de woning stond hard. Het was niet mogelijk om met [appellante] een gesprek aan te gaan. Meerdere (over)buren ondervinden overlast van [appellante] die bestaat uit de radio die hard aanstaat, schreeuwen in en om de woning en zeer hard smijten met deuren. De achtertuin was een grote puinhoop met van de eerste verdieping naar beneden gegooide goederen (matrassen, karton, etc.). De ramen zijn met kranten dichtgeplakt. [appellante] vertoont onaangepast gedrag en is niet bereid dit te veranderen.
- 24-09-2013: Politie is samen met een medewerker van Vestia bij [appellante] langs geweest. Volgens [appellante] wordt ze gek van de buren en dat ze overal over klagen. De politie heeft haar aangesproken op haar gedrag richting de politie. [appellante] begreep dat zij de politie normaal te woord moest staan en zal proberen hier op te letten.
- 30-10-2013: Melding geluidsoverlast afkomstig van [adres 2]. Ter plaatse stond de muziek niet meer aan en werd op normaal stemgeluid gezongen. Het gesprek met [appellante] verliep moeizaam. Het enige wat zij riep was dat zij toestemming van Vestia had gekregen om de radio op een bepaald volumeniveau te mogen zetten.
- 4-9-2015: Gesprek met de buren van [appellante]. Ze ervaren nog steeds overlast. De overlast bestaat uit muziek en het slaan van deuren. Probleem is dat [appellante] haar slaapkamer heeft verplaatst naar de achterzijde van de woning. De kamer waar zij nu verblijft grenst aan de kinderkamer van de buren. [appellante] zit tot laat in de avond te bellen met zeer luide en boze stem. Verder zijn er zorgen over [appellante], omdat zij niet goed voor zichzelf en haar omgeving zorgt.
- 29-1-2016: Brand in de woning aan de [adres 2]. [appellante] had op de tv in haar slaapkamer een brandende kaars neergezet en had de woning verlaten. De 3-jarige buurjongen heeft in de naastgelegen woning rook ingeademd en is voor controle overgebracht naar het ziekenhuis. De bovenste etage van de woning [adres 2] is onbewoonbaar verklaard. Het is o.a. de wijkagent bekend dat [appellante] psychisch in de war is. Dit zorgt al langer voor problemen. Daar de brand vermoedelijk door nalatigheid van [appellante] is ontstaan zorgt dit voor spanningen in de buurt.
- 02-03-2016: Door de politie is aan [appellante] uitgelegd dat ze niet terug kan naar haar woning. Zij weet dat er wordt gezocht naar een woonruimte voor haar, maar ze wil niet begeleid wonen. Volgens haar zou Vestia een spelletje aan het spelen zijn. Bij het verlaten van het bureau zei ze: ‘Dan zullen er andere maatregelen moeten gebeuren’. Op de vraag wat ze daarmee bedoelde zei ze dat de politie dat best wel wist.
“Er is sprake van een zwaarwegend belang, hoofdzakelijk vanwege de incidenten waarbij er sprake was van gevaarzetting. Het betreft dan de drie branden, die in haar (voormalige) woningen hebben plaatsgevonden en die tot gemeen gevaar hebben geleid voor omwonenden.Daarnaast is sprake van herhaaldelijke woonoverlast, voornamelijk in de vorm van geluidsoverlast, veroorzaakt door mevrouw [appellante].De wijkagent concludeert dat zij, gelet op de incidenten en veroorzaakte overlast, kennelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen en een terugkeer naar de woning aan de [adres 2] (na reparatie aan de woning als gevolg van de brand op 29 januari 2016) is buitengewoon onwenselijk. Buurtbewoners leven in constante angst. Indien mevrouw blijft wonen aan de [adres 2] (…), dan zal dit vermoedelijk leiden tot escalaties in de buurt.”.
- Onder het kopje ‘eigen waarnemingen’ staat dat de wijkagent constateert dat veel buurtbewoners ‘meldingsmoe’ zijn en de overlast incasseren.
- Onder het kopje ‘bemiddeling’ is vermeld:
- Onder het kopje ‘ontstaan van de brand op 29 januari 2016’ is vermeld dat uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen het volgende blijkt. Er is een melding binnengekomen van een brand op de eerste verdieping van de [adres 2] en de bewoonster zou de woning inmiddels hebben verlaten. Na enige tijd zagen politieambtenaren [appellante] lopen en zij hebben haar aangesproken. Zij verklaarde uit eigen beweging aan hen:
De vordering en de beslissing in eerste aanleg
De beoordeling van het hoger beroep
heeft nog aangevoerd dat de klachten over overlast slechts van de buren naast haar afkomstig zijn en dat andere buurtbewoners niet klagen. Zelfs als dat juist zou zijn, dan doet dat niets af aan de door deze buren ervaren overlast. Voor zover [appellante] heeft betoogd dat de overlastmeldingen van deze buren vals zijn, geldt dat dat wordt gelogenstraft door het feit dat de politie zelf overlast door harde muziek heeft geconstateerd en tevens (op 20 september 2013) dat een gesprek op normaal geluidsniveau met haar (toen) niet mogelijk was.
lopende maandelijkse huurverplichtingen, dan wel indien de huurovereenkomst door opzegging door [[appellante]] is geëindigd en zolang [[appellante]] het gehuurde nog in gebruik heeft of gedurende de periode dat [[appellante]] geen woongenot heeft maar het gehuurde niet ontruimt, een bedrag van € 436,78 per maand met ingang van de datum waarop de huurovereenkomst is geëindigd of de datum waarop [[appellante]] geen woongenot heeft maar niet heeft ontruimd (…), een en ander
tot aan het tijdstip van de daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde(…)” [cursiveringen toegevoegd door het hof]. Uit de wijze waarop dit petitum is geformuleerd volgt niet dat het daarin genoemde bedrag van € 436,78 ziet op de gevorderde “lopende maandelijkse huurverplichtingen”; het ziet op het bedrag dat Vestia vordert als de huurovereenkomst door middel van opzegging door [appellante] is geëindigd. Daarnaast is van belang dat Vestia in randnummer 1 van de inleidende dagvaarding heeft gesteld dat de maandelijkse huurprijs van de woning € 636,78 bedraagt, wat zij (reeds in eerste aanleg) heeft onderbouwd door overlegging van de brief van 9 april 2016 inzake de huurverhoging per 1 juli 2016, dat uit de in eerste aanleg overgelegde huurovereenkomst van 29 mei 2013 volgt dat de huur toen al € 569,07 bedroeg, en dat uit het in eerste aanleg overgelegde kort geding vonnis dat op 29 april 2016 tussen partijen is gewezen, bij de vaststaande feiten is opgenomen dat de maandelijkse huurprijs op dat moment € 629,36 bedroeg. Gelet op het voorgaande mocht de kantonrechter de veroordeling van [appellante] tot betaling van de huur tot het moment van ontruiming corrigeren van € 436,78 naar € 636,78. Ook voor [appellante] moet direct duidelijk zijn geweest dat het bedrag € 436,78 voor wat betreft de toegewezen vordering inzake de maandelijkse huurverplichtingen een vergissing was, en dat de kantonrechter bedoelde de lopende maandelijkse huurverplichtingen van (op dat moment) € 636,78 toe te wijzen. Dat de huurverplichtingen inderdaad uitkwamen op dit bedrag, wordt overigens bevestigd door het door [appellante] zelf bij memorie van grieven overgelegde overzicht van huurbetalingen die voor haar door de Sociale Dienst zijn verricht, waarop als laatste huurbetalingen (meermalen) een bedrag van € 636,78 is vermeld.