ECLI:NL:GHDHA:2018:2359
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij toelating schuldsaneringsregeling ondanks eerdere onterechte schuldenlast
Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €52.087,99. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Tevens was onvoldoende aannemelijk dat zij de verplichtingen uit de regeling zou nakomen, mede omdat zij geen sollicitaties had overlegd.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij de omstandigheden die tot de schulden leidden inmiddels onder controle had en dat zij de verplichtingen uit de regeling wel degelijk zou nakomen. Het hof stelde vast dat appellante niet meer betwist dat zij niet te goeder trouw was geweest, waardoor toelating in principe wordt verhinderd. Echter, het hof achtte aannemelijk dat appellante haar financiële en persoonlijke situatie inmiddels onder controle heeft, mede doordat zij haar problematische relatie heeft beëindigd en sinds september 2016 onder beschermingsbewind staat.
Het hof vond dat appellante voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling zal nakomen. Zij heeft opvang voor haar kinderen geregeld en is daardoor beschikbaar voor de arbeidsmarkt. De beschermingsbewindvoerder bevestigde dat zij haar afspraken nakomt en het vertrouwen heeft dat de regeling succesvol zal worden afgerond. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit, waarna de zaak werd verwezen voor uitvoering.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellante.