ECLI:NL:GHDHA:2018:2362

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2018
Publicatiedatum
13 september 2018
Zaaknummer
200.235.581/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FwArt. 288 lid 1 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing hardheidsclausule bij schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank

Appellante heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van overbesteding en onvoldoende inzicht in de schuldontwikkeling, ondanks dat sinds 2017 geen nieuwe schulden meer waren ontstaan. Appellante voerde aan dat haar schuldenproblematiek was ontstaan na het verlies van haar baan in 2013 en dat zij sindsdien haar situatie heeft gestabiliseerd, mede door een dienstverband en samenwoning met een partner zonder schulden.

Het hof oordeelde dat appellante inmiddels voldoende controle heeft over haar financiële situatie en dat er een redelijke kans is op een vast dienstverband. Ook is zij bereid beschermingsbewind aan te vragen. Daarom acht het hof het beroep op de hardheidsclausule geslaagd en vernietigt het het vonnis van de rechtbank. De schuldsaneringsregeling wordt toegewezen en de zaak wordt terugverwezen voor uitvoering.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellante.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.235.581/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/542877/ FT EA 18/71

arrest van 24 april 2018

inzake

[appellante],

wonende te Capelle aan den IJssel,
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. G.H. Amstelveen te Capelle aan den IJssel.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 16 maart 2018, heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2018, waarbij haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Zij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 6 april 2018 is nog een aantal producties aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 april 2018. Verschenen is: [appellante], bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van haar partner de heer [partner].

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellante] heeft op 12 januari 2018 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 lid1 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 46.506,73.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). De rechtbank heeft daarbij - kort samengevat - het volgende overwogen. [appellante] heeft schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Het betreft onder andere schulden aan The Fitnessclub, Klarna AB, KPN, Vodafone en Healthcenter Capelle. Daarnaast heeft [appellante] een schuld aan het CJIB van in totaal € 184,- laten ontstaan die betrekking heeft op boetes wegens zwartrijden in het openbaar vervoer. Verder heeft [appellante] niet duidelijk gemaakt hoe de schuld aan de Belastingdienst uit 2016 van
€ 2.314,- is ontstaan.
De rechtbank heeft verder overwogen dat feiten en omstandigheden die - ondanks het ontbreken van de goede trouw - toelating rechtvaardigen niet voldoende aannemelijk zijn geworden. Het is volgens de rechtbank een goede ontwikkeling dat [appellante] sinds 2017 geen nieuwe schulden heeft gemaakt, maar deze ontwikkeling is recent. Daarbij heeft [appellante] ter zitting van de rechtbank geen, althans onvoldoende, blijk gegeven in te zien dat haar handelen ten aanzien de schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan, onjuist was. De recente ontwikkeling is onvoldoende (althans nog onvoldoende bestendig) om een toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. Indien het leven van [appellante] zich (verder) stabiliseert en zij over een langere tijd geen nieuwe schulden laat ontstaan, zal een volgend verzoek mogelijk meer kans van slagen hebben. De rechtbank heeft nog opgemerkt dat het laten instellen van beschermingsbewind mogelijk in positieve zin zou kunnen bijdragen aan die verdere stabilisatie.
3. De grieven en argumenten van [appellante] kunnen als volgt worden samengevat. [appellante] stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van overbesteding. De problematische schuldensituatie is ontstaan in 2013 nadat zij haar baan verloor. Begin 2014 heeft de gemeente Rotterdam haar bijstandsuitkering beëindigd omdat [appellante] geacht werd een opleiding te volgen. Zij heeft daartoe een lening bij DUO afgesloten. Gedurende het eerste jaar was het mogelijk om naast haar opleiding enige uren te werken, maar in het tweede jaar was dit vanwege een stage niet meer mogelijk. Als gevolg hiervan was het moeilijk om de vaste lasten te betalen. Op het moment dat [appellante] een fulltime baan had kon zij deze weer naar behoren voldoen.
De schuld aan de Belastingdienst betreft teveel ontvangen zorg- en huurtoeslag. Deze schuld is niet te kwader trouw ontstaan. [appellante] heeft een schatting gemaakt van haar inkomen, die achteraf te laag blijkt te zijn geweest.
Tot slot heeft [appellante] een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro.
4. Het hof is van oordeel dat uit de stukken en ter zitting in hoger beroep alsnog voldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van haar schulden onder controle heeft gekregen. Daartoe overweegt het hof als volgt. Uit de bij het verzoek overgelegde schuldenlijst blijkt dat er sinds november 2016 geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan. Daarnaast heeft [appellante] in hoger beroep een brief van haar werkgever overgelegd, waaruit blijkt dat zij inmiddels een dienstverband heeft voor 36 uur per week. Weliswaar betreft dit een tijdelijk arbeidscontract, maar [appellante] heeft ter zitting gemotiveerd kunnen onderbouwen dat er een gerede kans bestaat dat haar op termijn een vast contract zal worden aangeboden. Voorts is van belang dat [appellante] inmiddels samenwoont met haar partner, die geen schulden heeft en die ook een fulltime baan heeft. Hierdoor verkeert zij thans in stabiele financiële situatie waarin zij zicht heeft op haar financiën, waaruit de vaste lasten tijdig kunnen worden voldaan. Ter zitting van het hof heeft [appellante] nog verklaard dat zij bereid is om beschermingsbewind aan te vragen.
5. Nu het hof het beroep op artikel 288 lid 3 Fw Pro geslaagd acht, kan een beoordeling van al het overige dat [appellante] naar voren heeft gebracht verder achterwege blijven.
6. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 maart 2018;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.A. van Dorp, S.R. Mellema en P.W. van Baal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.