ECLI:NL:GHDHA:2018:2369
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toelating tot schuldsaneringsregeling na beoordeling goede trouw appellant
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechtbank Rotterdam. De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Tevens werd betwijfeld of appellant zijn verplichtingen uit de regeling zou nakomen.
Het hof heeft in hoger beroep vastgesteld dat appellant schulden had gemaakt die samenhingen met zakelijke en privé-uitgaven, waaronder een schuld aan ING Bank voor een verbouwing van zijn woning en een schuld aan Volkswagenbank voor de aankoop van een auto. Hoewel appellant gezondheidsproblemen had die zijn inzetbaarheid beperkten, was er onvoldoende bewijs dat hij niet te goeder trouw was bij het aangaan van deze schulden. Daarnaast heeft appellant in hoger beroep sollicitatiebewijzen overgelegd, wat het hof overtuigde dat hij zich zal inspannen om aan zijn verplichtingen te voldoen.
Het hof vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart appellant toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor de uitvoering van de regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis en verklaart appellant toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.