Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest d.d. 24 juli 2018
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“op één onderdeel”werd gewijzigd, namelijk in die zin dat het energielaadpunt als nieuwe categorie “basisvoorziening” werd geïntroduceerd, en dat de komst van laadstations daardoor
“niet alleen”afhankelijk zou zijn van de exploitanten van de reeds aanwezige basisvoorzieningen (tankstations, wegrestaurants en servicestations). Het hof is eerder ook van deze uitleg uitgegaan in zijn arrest van 9 december 2014 in de door VPR c.s. tegen de Staat aanhangig gemaakte procedure, waarin Fastned c.s. zich aan de zijde van de Staat heeft gevoegd (ECLI:NL:GHDHA:2014:4216, r.o. 2.3.). Ook in een aantal bestuursrechtelijke procedures is overigens inmiddels uitgemaakt dat het steeds mogelijk is gebleven om een laadstation als aanvullende voorziening te exploiteren (rechtbank Amsterdam, 8 december 2017 en 22 december 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:9034 resp. 9630).
“logischerwijs”geen aanvullende voorziening kan zijn aangezien snelladen
“niet als aanvullend (kan) worden gekwalificeerd bij het afnemen van motorbrandstof, omdat snelladen niet kan worden afgenomen in aanvulling op het tanken van motorbrandstof”. Fastned c.s. wijst er in dit verband op dat slechts volledig elektrische auto’s gebruik kunnen maken van snelladen en dat deze auto’s juist geen fossiele brandstof kunnen tanken (spoedappeldagvaarding onder 86). Ook deze stelling is niet juist. De Staat heeft onweersproken aangevoerd dat de hybride Mitsubishi Outlander zowel kan tanken als snelladen en dat in de toekomst mogelijk meer hybride auto’s de mogelijkheid van snelladen zullen krijgen. Afgezien daarvan is van belang dat, zoals de Staat terecht heeft opgemerkt, alleen een functionele relatie tussen de voorziening en het weggebruik is vereist en niet ook een functionele relatie tussen de basisvoorziening enerzijds en de aanvullende voorziening anderzijds. Overigens is van belang dat niet alleen tankstations maar ook wegrestaurants toestemming kunnen vragen voor een snellaadstation als aanvullende voorziening.
“Ook kan het niet zo zijn dat andere partijen, zoals benzinestations bevoordeeld worden, terwijl zij geen realisatie plicht binnen 18 maanden hebben. Het kan dan ook niet zo zijn dat FastNed de aanloopverliezen voor haar rekening neemt en vervolgens wordt gehinderd in haar groei. Deze ruimte en recht op groei moet vooraf vastgelegd worden in de overeenkomsten.”. Ook hierna heeft meermalen overleg plaatsgevonden, in welk kader de Staat expliciet kenbaar heeft gemaakt dat de gewenste exclusiviteit níet kon worden toegezegd en dat het voor de zittende benzinestations en wegrestaurants mogelijk bleef om een aanvraag te doen voor een snellaadstation als aanvullende voorziening (o.a. e-mail van 25 september 2012, memorandum van RWS van 25 november 2012 en verdere correspondentie in november 2012, achtereenvolgens producties 7, 8, 9 en 10 bij memorie van antwoord Staat). Dit is nog eens herhaald in een e-mail van 8 april 2013 (productie 2 bij conclusie van antwoord):
“(…) Houders van een bestaand motorbrandstofverkooppunt kunnen nog steeds een aanvraag doen voor het plaatsen van een laadpaal op het terrein dat ze al huren. Dat valt buiten de procedure die is beschreven in de Kennisgeving van 2011, ze vragen namelijk een aanvulling aan op de bestaande Wbr-vergunning. Een dergelijke aanvraag zal worden bekeken aan de hand van de Wbr-toetsingscriteria, waaronder een doelmatige inrichting van de verzorgingsplaats en verkeersveiligheid (…)”.
- i) Ten eerste moet deze stelling worden genuanceerd, in die zin dat VPR c.s. (onweersproken) heeft aangevoerd dat de wegrestaurants al vanaf het begin interesse hadden, maar bang waren dat zij, door een vergunning aan te vragen voor een laadstation, zouden worden gezien als verkoper van motorbrandstof en daarmee als exploitant van een servicestation, met als gevolg dat zij hun erfpachtrechten zouden verliezen in ruil voor een 15-jarige overeenkomst. Volgens VPR c.s. hebben de wegrestaurants hierover pas in een later stadium duidelijkheid gekregen. VPR c.s. heeft er ook nog (onweersproken) op gewezen dat met name de wegrestaurants op bijna al hun locaties langzame laders en snelladers hadden geïnstalleerd voordat Fastned c.s. haar laadstations uitrolde, en dat dit ook voor enkele tankstations het geval was.
- ii) Ten tweede verdient opmerking dat de Staat Fastned c.s. tegemoet is gekomen door van Fastned c.s. geen instapbedrag te vorderen en de eerste drie jaar ook geen gebruiksvergoeding.
dat deze bij het aangaan van de huurovereenkomst mocht verwachten. Hierboven is reeds overwogen dat Fastned c.s. het bedrijfsrisico gelegen in concurrentie van de zittende partijen, heeft onderkend en willens en wetens heeft aanvaard. Ook deze stelling van Fastned c.s. kan dus niet worden aanvaard.
gevolgenvan die afspraken tussen de Staat en de tankstations mogen worden
afgewenteld op nieuwkomers, niet zijnde exploitanten van benzinetankstations, maar exploitanten van snellaadstations en of de Staat zich
in relatie tot laatstgenoemdendus op die afspraken kan beroepen ter rechtvaardiging van de weigering om shops als aanvullende voorziening toe te staan. Ook indien het hof deze vraag in het voordeel van Fastned c.s. zou beantwoorden, leidt dit echter nog niet tot toewijzing van de subsidiaire vordering. Er is immers geen verklaring voor recht gevorderd dat de weigering van toestemming voor shops onrechtmatig is, maar een verbod aan de Staat om mee te werken aan de komst van laadstations als aanvullende voorziening bij benzinestations en/of wegrestaurants gelegen op die verzorgingsplaatsen waarvoor al een exploitatierecht voor een snellaadstation aan Fastned c.s. is verleend, dit zolang het Fastned c.s. niet is toegestaan om aanvullende voorzieningen aan te bieden bij hun snellaadstations. Dat de Staat
in zijn relatie tot Fastned c.s.mogelijk onrechtmatig handelt door een stelselmatige weigering tot het toestaan van shops en andere (restauratieve) voorzieningen bij hun snellaadstations, betekent naar voorlopig oordeel echter niet dat de Staat
in zijn relatie tot de benzinestations en wegrestaurantseen
algemeenverbod moet worden opgelegd zoals gevorderd.