ECLI:NL:GHDHA:2018:2609
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk in procedure ontkenning vaderschap na DNA-onderzoeksbevel
In een procedure tot ontkenning van het vaderschap heeft de rechtbank een DNA-onderzoek bevolen om vast te stellen of de man de biologische vader is van de minderjarige. De vrouw kwam hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de beschikking van de rechtbank een tussenbeschikking is, omdat deze niet definitief beslist over het verzoek tot ontkenning van het vaderschap. Op grond van artikel 358 lid 4 Rv Pro kan tegen een tussenbeschikking alleen tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep worden ingesteld, tenzij anders bepaald.
De vrouw stelde dat het bevel tot DNA-onderzoek een eindbeslissing was, maar dit werd door het hof verworpen op basis van het proces-verbaal en de inhoud van de beschikking. Het hof verklaart daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de bestreden beschikking een tussenbeschikking betreft.