Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 14 augustus 2018
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Algemeen
Het bestreden vonnis
Het geschil
- vernietiging van het bestreden vonnis;
- afwijzing van de vorderingen van de vrouw in reconventie;
- veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van EUR 10.750 (restschuld), van een bedrag van EUR 4.821,38 (schadevergoeding), en van een bedrag van EUR 17.922,39 (gebruiksvergoeding);
- veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties; en
- het een en ander te verhogen met wettelijke rente.
Beoordeling van het principale appel
De eerste griefklaagt, naar het hof begrijpt, dat de kantonrechter ten onrechte nieuwe standpunten niet heeft willen meewegen in zijn beslissing, wegens strijd met de goede procesorde. Het betreft de eisvermeerdering van de man op de rolzitting van 17 november 2016, als mondeling reeds opgeworpen op de comparitie van 11 oktober 2016. Voorwaardelijk, te weten voor het geval het hof de man niet volgt in zijn klacht, vermeerdert hij zijn eis alsnog in hoger beroep.
De tweede griefklaagt dat de kantonrechter oorzakelijk verband had moeten vaststellen tussen de weigering van de vrouw mee te werken aan de verkoop van de woning en de lagere opbrengst van de woning.
De derde, vierde en vijfde grieflenen zich voor gezamenlijke behandeling. De man klaagt dat de kantonrechter onvoldoende inzichtelijk achtte dat de betalingsachterstanden onderdeel uitmaken van de restschuld of het verplichte krediet, en dat de kantonrechter geen acht heeft geslagen op de mondelinge vermindering van eis van de vrouw ter zitting aangaande de belastingteruggaaf van de hypothecaire lasten van de vrouw. Bovendien klaagt de man dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van de vrouw heeft toegewezen aangaande de premie beleggingsverzekering van EUR 710,12.
Grief 6tenslotte klaagt dat de kantonrechter de vordering van de vrouw terzake de (helft van de) opstartkosten van de makelaar van EUR 420,48 heeft toegewezen.