ECLI:NL:GHDHA:2018:2795

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 oktober 2018
Publicatiedatum
23 oktober 2018
Zaaknummer
200.237.036/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:435 lid 3 BWArt. 1:452 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging mentorschapsbeschikking en kostenveroordeling wegens nodeloos hoger beroep

Betrokkene kwam in hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter waarin een mentorschap was ingesteld ten behoeve van hem, met benoeming van een mentor. Betrokkene stelde dat de benoeming niet zijn voorkeur had en verzocht om een onafhankelijke, professionele mentor. De mentor stelde dat betrokkene juist haar als mentor wenste en dat het hoger beroep zonder zijn medeweten was ingesteld door de bewindvoerder.

Tijdens de zitting verklaarde betrokkene uitdrukkelijk tevreden te zijn met de benoeming van zijn nichtje als mentor en was hij niet op de hoogte van het hoger beroep of de zitting. De advocaat van betrokkene had hem niet geïnformeerd en bleek verrast door zijn aanwezigheid en standpunt. Het hof concludeerde dat de rechtbank de juiste beslissing had genomen en betrokkene niet-ontvankelijk was in zijn beroep.

Het hof oordeelde dat het hoger beroep nodeloos was en veroordeelde betrokkene in de kosten aan de zijde van de mentor. Gezien het feit dat de bewindvoerder het hoger beroep had geïnitieerd zonder betrokkene te informeren, achtte het hof het passend dat de bewindvoerder en de advocaat de proceskosten van zowel de mentor als betrokkene voor de helft zouden dragen. De bestreden beschikking werd bekrachtigd en het beroep afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot benoeming van de mentor en veroordeelt betrokkene in de proceskosten wegens een nodeloos hoger beroep zonder zijn medeweten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Uitspraak : 17 oktober 2018
Zaaknummer : 200.237.036/01
Rekestnummer rechtbank : EJ VERZ 17-97565
Zaaknummer rechtbank : 6365130
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat mr. D.A. IJpelaar te Wassenaar,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de mentor,
advocaat mr. M.M. van Wijk te Honselersdijk.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de zus van betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de zus van betrokkene.
Als informant is aangemerkt:
[de bewindvoerder] ,
gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

Betrokkene is op 9 april 2018 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 maart 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de bestreden beschikking).
De mentor heeft op 28 mei 2018 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof is voorts van de zijde van betrokkene op 16 april 2018 een brief met bijlagen ingekomen.
De zaak is op 21 september 2018 mondeling behandeld.
Ter zitting waren aanwezig:
  • betrokkene, bijgestaan door mr. J. Verheij, kantoorgenoot van mr. IJpelaar;
  • de mentor, bijgestaan door haar advocaat.
Aan [de bewindvoerder] is in haar hoedanigheid als bewindvoerder, als informant toegang verleend bij de zitting. De zus van betrokkene is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - een mentorschap ingesteld ten behoeve van de betrokkene met benoeming van de mentor.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast: bij beschikking van 28 januari 2015 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand en is [de bewindvoerder] , tot bewindvoerder benoemd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de benoeming van de persoon van de mentor.
2. Betrokkene verzoekt blijkens het beroepschrift het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw beschikkende, een onafhankelijke en professionele mentor voor hem te benoemen.
3. De mentor verweert zich daartegen en verzoekt het hof betrokkene in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Met veroordeling van de bewindvoerder in de kosten van de procedure, zowel aan de zijde van de mentor als in de kosten die gemaakt zijn ten laste van de betrokkene.
4. In het beroepschrift wordt het volgende aangevoerd. Betwist wordt dat de rechter met de benoeming van de mentor de voorkeur van betrokkene gevolgd heeft. Op 5 maart 2018 heeft betrokkene een brief aan de rechtbank gestuurd waarin hij de rechtbank heeft verzocht een onafhankelijke mentor te benoemen, aldus het beroepschrift. In die brief wordt benadrukt dat de betrokkene onder geen enkele voorwaarde wil dat zijn nichtje, zus of welk familielid dan ook benoemd wordt tot mentor. De bestreden beschikking is dan ook in strijd met artikel 1:435 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) respectievelijk 1:452 lid 3 BW tot stand gekomen nu niet de uitdrukkelijke voorkeur van betrokkene is gevolgd, aldus het beroepschrift.
5. De mentor verweert zich daartegen als volgt. Betrokkene heeft ter zitting op 2 maart 2018 de uitdrukkelijke wens geuit dat zij tot mentor zou worden benoemd. Aan de brief van 5 maart 2018, die na de zitting nog is toegezonden, heeft de rechter kennelijk minder gewicht toegekend dan de uitdrukkelijke verklaring van betrokkene ter zitting. Daarbij wijst de mentor erop dat aan een getypte brief niet de conclusie kan worden verbonden dat dit de uitdrukkelijke wens van betrokkene zou zijn. Weliswaar staat onder de brief de handtekening van betrokkene, maar het is onbekend onder welke omstandigheden hij deze handtekening heeft gezet en of hij wel wist waarvoor hij tekende. De mentor merkt daarbij op dat betrokkene geen computer bezit en nooit getypte brieven schrijft. Zij concludeert dan ook dat de getypte brief die aan de kantonrechter is gezonden niet door betrokkene is opgesteld. Betrokkene heeft ook verklaard niet te weten dat hij deze brief heeft ondertekend, wat de inhoud ervan was en ook niet dat namens hem beroep tegen haar benoeming tot mentor is ingesteld. Hij heeft verder aan de mentor verklaard dat hij helemaal niet wil dat er namens hem tegen haar geprocedeerd wordt. Ook wist betrokkene niet dat er namens hem een toevoeging is aangevraagd voor het hoger beroep en heeft hij voor zover de mentor kon nagaan de advocaat die namens hem optreedt nog nooit ontmoet. De mentor kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat het hoger beroep zonder enig medeweten, dan wel opdracht van betrokkene is ingesteld en stelt zich dan ook primair op het standpunt dat betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De mentor is er stellig van overtuigd dat de bewindvoerder het hoger beroep heeft geïnitieerd, waarmee hij in strijd handelt met de belangen en de wens van betrokkene en de mentor op kosten jaagt. De mentor verzoekt om deze reden dan ook om de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van de procedure, zowel aan haar kant als die aan de kant van betrokkene.
6. Het hof overweegt als volgt. Mr. Verheij heeft ter zitting naar voren gebracht dat de bewindvoerder op enig moment ter kennis is gekomen dat betrokkene een andere mentor benoemd wenste te zien, waarop het hoger beroep is ingesteld. Betrokkene heeft dit ter zitting weersproken. Betrokkene heeft ter zitting onomwonden verklaard zeer blij te zijn met de benoeming van zijn ‘kleine nichtje‘ tot mentor. Ter zitting in hoger beroep is voor wat betreft de gang van zaken met betrekking tot het instellen van het hoger beroep het volgende gebleken. Betrokkene was er niet van op de hoogte dat de zitting was. Hij heeft dat van de mentor vernomen en zij heeft hem ook opgehaald en meegenomen naar de zitting. Mr. Verheij heeft verklaard dat de opdracht tot het instellen van hoger beroep van de bewindvoerder afkomstig is en dat hij (en het hof begrijpt dat dat ook geldt voor mr. IJpelaar) betrokkene tussen het moment van de bestreden beschikking en deze zitting niet gezien of gesproken heeft. Sterker nog, de advocaat van de betrokkene bleek ter zitting verrast, zowel voor wat betreft de aanwezigheid van betrokkene als diens standpunt.
7. Gelet op de uitdrukkelijke verklaring van de betrokkene ter zitting is het hof van oordeel dat de rechtbank dan ook op juiste gronden heeft beslist zoals zij heeft gedaan. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.
Proceskosten
8. De mentor heeft verzocht de bewindvoerder te veroordelen in de kosten van de procedure, zowel aan de zijde van de mentor als aan de zijde van betrokkene.
9. Naar het oordeel van het hof betreft het onderhavige hoger beroep een nodeloos hoger beroep. Het hof zal betrokkene daarom in de kosten aan de zijde van de mentor veroordelen. Het hof tekent daarbij het volgende aan. Genoegzaam is gebleken dat het beroep weliswaar op naam van betrokkene is ingesteld, maar de opdracht daartoe niet door hem is gegeven, maar door de bewindvoerder. Of betrokkene het inderdaad niet eens was met de persoon van de mentor is niet met hem besproken, noch ten tijde van het instellen van het beroep, noch voorafgaand aan de zitting. Sterker nog, de advocaat heeft de betrokkene – volgens het beroepschrift nota bene zijn cliënt - niet op de hoogte gesteld van de zitting in hoger beroep, bleek verrast door diens aanwezigheid en diens standpunt. Het hof heeft voorts ernstige twijfels bij de vraag of de in het dossier aanwezige brieven die namens betrokkene zijn ingediend, waarin hij aangeeft een andere mentor te wensen, gezien opzet en inhoud wel door hem zijn opgesteld of begrepen. Het is in dat kader op zijn minst genomen opmerkelijk dat betrokkene zelf ter zitting in eerste aanleg op 2 maart 2018 uitdrukkelijk zijn voorkeur voor de benoeming van zijn nichtje heeft uitgesproken en dat slechts enkele dagen later een getypte brief naar de kantonrechter is gestuurd met een volstrekt tegengestelde inhoud. En dat in beroep met name geklaagd wordt over het niet betrekken van deze brief bij de beslissing. Naar het oordeel van het hof, mede gelet op het voorkomen van betrokkene ter zitting, heeft betrokkene deze brieven niet zelfstandig kunnen opstellen. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat overigens nergens uit blijkt dat betrokkene tussen de behandeling van de zaak in eerste aanleg en het hoger beroep een andere mentor heeft gewenst.
10. Gelet op het feit dat de bewindvoerder geen procespartij is in de onderhavige zaak, kan de bewindvoerder niet worden veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van de mentor. Aangezien de bewindvoerder wel de procedure geïnitieerd heeft en mr. IJpelaar die op naam van betrokkene heeft ingesteld zonder betrokkene eerst nader te bevragen en zonder hem op de hoogte te stellen van (het instellen van) het beroep en de zitting, zoals verklaard ter zitting, is het hof van oordeel dat het de bewindvoerder en mr. IJpelaar zou sieren indien deze niet alleen de kosten van de procedure van de mentor maar ook die van betrokkene, ieder voor de helft, derhalve 50%, voor hun eigen rekening zou nemen. Voorts ziet het hof in de gang van zaken rond de totstandkoming van het beroep aanleiding om deze beslissing toe te zenden aan de kantonrechter belast met het toezicht op het bewind van betrokkene.
11. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt betrokkene in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de mentor, door het hof conform het liquidatietarief begroot op € 1.074 (tarief II);
verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.A. van Kempen en J. van der Hoeven bijgestaan door mr. M.M. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2018.