ECLI:NL:GHDHA:2018:2880
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- E.A. Mink
- J.M. van Baardewijk
- J. Zwagemaker
- Rechtspraak.nl
Toepassing van Nederlands en Turks recht op huwelijksvermogensregime bij echtscheiding met verdeling van gemeenschap en auto's
De zaak betreft een echtscheiding tussen een Turks-Nederlands echtpaar met minderjarige kinderen, waarbij het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime en de verdeling van gemeenschappelijke goederen centraal staan.
Het hof bevestigt dat het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HHV 1978) van toepassing is en dat het huwelijksvermogensregime van partijen tot 2006 door Turks recht wordt beheerst, vanwege de uitzondering in artikel 4 lid 2 sub a HHV Pro 1978. Vanaf 2006 is Nederlands recht van toepassing omdat partijen dan al tien jaar hun gezamenlijke gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Het verzoek van de vrouw om Nederlands recht vanaf 1996 toe te passen wordt afgewezen.
Het pand aan een adres in Den Haag behoort volgens het hof tot het privévermogen van de man, omdat het vóór 2006 is verkocht en geleverd. De vrouw kan onvoldoende feiten aanvoeren om de onaanvaardbaarheidsexceptie of redelijkheid en billijkheid toe te passen. Wat betreft drie auto's oordeelt het hof dat twee auto's vóór de peildatum zijn verkocht en daarom buiten de gemeenschap vallen, terwijl de derde auto kort voor de peildatum is gekocht en voor een lagere waarde moet worden verdeeld, waarbij de vrouw een bedrag van €750,- ontvangt.
De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De bestreden beschikking wordt grotendeels bekrachtigd, met uitzondering van de verdeling van de derde auto die wordt herzien.
Uitkomst: Het hof bepaalt dat Turks recht tot 2006 en Nederlands recht daarna van toepassing is, wijst het verzoek van de vrouw grotendeels af en wijzigt de verdeling van één auto met een betaling van €750 aan de vrouw.