ECLI:NL:GHDHA:2018:2887
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep kort geding
- E.A. Mink
- J.M. van Baardewijk
- E.C. Punselie
- Rechtspraak.nl
Verwerping hoger beroep in kort geding inzake gezag en verblijf minderjarige na echtscheiding
In deze zaak vordert de man in hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter dat zijn verzoeken tot een verbod op verhuizing van de vrouw met het minderjarige kind buiten een straal van 20 kilometer afwees. Partijen zijn gescheiden en het jongste kind staat onder gezag van de vrouw. Na de echtscheiding verhuisde de vrouw met het kind naar Limburg, buiten het werkgebied van het omgangshuis waar contact met het kind geregeld werd.
De rechtbank heeft in een beschikking van 12 september 2018 het gezamenlijk gezag over het kind aan beide ouders gegeven en een zorgregeling vastgesteld, waarbij de vrouw toestemming kreeg om met het kind naar Eindhoven te verhuizen. Het hof oordeelt dat in het hoger beroep dezelfde geschilpunten aan de orde zijn als in de bodemprocedure en dat het kort geding niet bedoeld is om hiervan af te wijken.
Het hof stelt vast dat geen kennelijke misslag is gemaakt door de rechtbank en dat het spoedeisend belang ontbreekt omdat de man zijn vordering na de bodemprocedure had kunnen intrekken. Daarom wordt het hoger beroep verworpen. De man wordt gedeeltelijk in de proceskosten veroordeeld vanwege het niet intrekken van zijn vorderingen voor de pleidooizitting.
Uitkomst: Het hof verwerpt het hoger beroep van de man wegens gebrek aan spoedeisend belang en veroordeelt hem gedeeltelijk in de proceskosten.