De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis, wegens het verwerven en doorverkopen van een gestolen iPhone 4. In hoger beroep stelde de verdediging dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed gestolen was.
Het hof stelde vast dat de iPhone op 14 juni 2013 was gestolen in een trein tussen Amsterdam en Rotterdam en dezelfde dag door de verdachte werd verkocht aan een winkel in Den Haag. De verdachte had de telefoon gratis ontvangen en verkocht deze kort daarna, zonder onderzoek te doen naar de herkomst, terwijl de telefoon een aanzienlijke waarde had. Bovendien gaf de verdachte een onjuiste verklaring over het moment van verkrijging.
Op grond hiervan oordeelde het hof dat de verdachte met aanmerkelijke onvoorzichtigheid handelde en redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof verklaarde de verdachte schuldig aan schuldheling en legde een geldboete van €250 op, subsidiair 5 dagen hechtenis, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.