ECLI:NL:GHDHA:2018:3109
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schorsing uitvoerbaarverklaring bij voorraad in verdelingsgeschil appartementen na echtscheiding
De vrouw en de man zijn in 1997 gescheiden en hebben een echtscheidingsconvenant gesloten waarin twee appartementen niet waren opgenomen, terwijl deze volgens het toen geldende recht tot de huwelijksgemeenschap behoorden. De rechtbank heeft de man bevolen tot verdeling van deze appartementen en een betaling aan de vrouw, en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw vordert in hoger beroep de schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, stellende dat zij haar rechten op de appartementen niet meer kan uitoefenen en dat de man heeft verzwegen dat deze nog verdeeld moesten worden. Zij betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte haar bewijsaanbod heeft afgewezen en dat de waardepeildatum onjuist is vastgesteld.
Het hof oordeelt dat geen sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag in het bestreden vonnis. De aangevoerde gronden zijn onvoldoende om de schorsing te rechtvaardigen. Het belang van de man bij uitvoering van het vonnis, mede vanwege zijn financiële situatie en wens tot verkoop, weegt zwaarder dan het belang van de vrouw bij schorsing.
Daarom wijst het hof het verzoek van de vrouw af en veroordeelt haar in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar een latere rolzitting voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad af en veroordeelt de vrouw in de proceskosten.