ECLI:NL:GHDHA:2018:3361
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende stabiele situatie
De appellant heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens een totale schuldenlast van €58.650,45. De rechtbank wees dit verzoek af omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant zijn verplichtingen uit de regeling zou nakomen en zich zou inspannen om baten voor de boedel te verwerven.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij te goeder trouw was ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. Het hof heeft dit onderzocht aan de hand van de aard en omvang van de schulden, het tijdstip van ontstaan, verwijtbaarheid en het gedrag van appellant. Uit de crediteurenlijst bleek een grote schuld aan de gemeente Leidschendam-Voorburg wegens onterecht ontvangen uitkeringen, waarvoor sprake is van een fraudevordering. Appellant kon dit niet afdoende verklaren.
Daarnaast heeft appellant verzocht om toepassing van de hardheidsclausule, stellende dat hij zijn omstandigheden onder controle heeft gekregen. Het hof constateerde echter dat appellant in 2017 en 2018 nieuwe schulden heeft laten ontstaan, een onstabiele woonsituatie heeft en onvoldoende aannemelijk is dat hij zijn verplichtingen uit de regeling zal nakomen.
Daarom heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek tot schuldsaneringsregeling afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot schuldsaneringsregeling af wegens onvoldoende goede trouw en geen toepassing van de hardheidsclausule.