ECLI:NL:GHDHA:2018:3366
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij toelating schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank
Appellante verzocht bij de rechtbank Rotterdam om toepassing van de schuldsaneringsregeling vanwege een totale schuldenlast van €81.334,97. De rechtbank wees dit verzoek af omdat zij onvoldoende aannemelijk achtte dat appellante te goeder trouw was geweest bij het ontstaan van de schulden en dat zij de verplichtingen van de regeling zou nakomen.
In hoger beroep deed appellante een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro. Zij stelde dat haar psychosociale problemen inmiddels beheersbaar zijn en dat zij voldoende hulp en een sociaal vangnet heeft, waaronder budgetbeheer via de Kredietbank en begeleiding door Bureau Frontlijn.
Het hof oordeelde dat hoewel appellante niet meer betwist dat zij niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schulden, uit de stukken en de zitting blijkt dat haar situatie nu stabiel is. Zij heeft geen nieuwe schulden gemaakt, heeft betalingsregelingen getroffen en is goed op de hoogte van haar verplichtingen. Het hof achtte daarom toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit, waarna de zaak werd verwezen naar de rechtbank voor uitvoering van de regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit voor appellante.