Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 6 maart 2018
[appellant],
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grieven 1, 2a en 2bhebben betrekking op de brief van 4 oktober 2013. [appellant] voert aan, samengevat weergegeven, dat die brief niet afkomstig is van de advocaat-generaal, maar van de minister en dat hij aan die brief het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat de tenuitvoerlegging van zijn straf aan Turkije zou worden overgedragen. Met
grief 3komt [appellant] op tegen de verwerping van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel. Met
grief 4voert hij aan dat de voorzieningenrechter er aan voorbij gaat dat de Staat ten onrechte niet het belang van resocialisatie in zijn afweging heeft betrokken. Er is sprake van strijd met het motiveringsbeginsel en er is sprake van onzorgvuldige besluitvorming.
Grief 5is tot slot gericht tegen de overweging dat er geen gronden zijn om de minister te bevelen om de afwijzing(en) te heroverwegen door opnieuw te beslissen.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 17 november 2016;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 716,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.