Appellant trad in 2004 in dienst bij een onderneming en zijn arbeidsovereenkomst werd in 2006 voor onbepaalde tijd verlengd. De onderneming werd per 1 maart 2008 overgenomen door geïntimeerde. Appellant vorderde betaling van een winstdelingsuitkering over de periode van 1 maart 2008 tot en met 2012, welke door geïntimeerde werd betwist.
De kantonrechter wees de vordering af, waarna appellant in hoger beroep ging. Het geschil spitst zich toe op de uitleg van het Reglement voor Winstdelingsregeling dat volgens appellant stilzwijgend na 31 december 2004 is verlengd en dus ook na de overname van de onderneming door geïntimeerde van toepassing is.
Het hof overweegt dat appellant de stelplicht en bewijslast draagt om aan te tonen dat het Reglement na 31 december 2004 bleef gelden. Gelet op de betwisting door geïntimeerde wordt appellant toegelaten tot bewijslevering, waaronder het horen van getuigen en mogelijk het benoemen van een deskundige om de hoogte van de winst en uitkering vast te stellen.
De verdere beslissing wordt aangehouden, waarbij het hof een procedure voor getuigenverhoren en bewijsvoering vaststelt. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 13 november 2018.