Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
beschikking d.d. 18 december 2018
UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM,
de BENELUX-ORGANISATIE VOOR DE INTELLECTUELE EIGENDOM
BENELUX-BUREAU VOOR DE INTELLECTUELE EIGENDOM (MERKEN EN TEKENINGEN OF MODELLEN),
De procedure
Beoordeling van het verzoek
ab initiobeschrijvend is en onderscheidend vermogen mist. Inburgering is niet gesteld noch bewezen. Het bestaan van woord/beeldmerken met het woordelement AMSTERDAM UNIVERSITY betekent niet dat dit woordelement voor inschrijving als woordmerk in aanmerking komt. De toetsing op absolute gronden dient een algemeen belang. Het belang van UvA bij inschrijving van het teken als merk kan daar niet aan afdoen. Dat andere universiteiten een registratie hebben verkregen voor de Engelse vertaling(en) van hun naam is niet relevant, aangezien ieder depot op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld, zoals ook is overwogen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in het Postkantoor-arrest (12 februari 2004, zaak C-363/99, ECLI:EU:C:2004:86). Het is gebruikelijk voor universiteiten om ‘merchandising’-artikelen op de markt te brengen. Voor alle in het depot aangeduide waren en diensten kan het teken dienen ter aanduiding van kenmerken van de betreffende waren en diensten, omdat zij afkomstig kunnen zijn van een universiteit in Amsterdam.
ab initioniet onderscheidend moeten worden aangemerkt voor de hiervoor onder rov. 8 genoemde waren en diensten. Dat die benamingen door gebruik (kunnen) zijn ingeburgerd en alsnog onderscheidend vermogen hebben gekregen of om andere redenen zijn ingeschreven maakt niet dat het teken AMSTERDAM UNIVERSITY niet beschrijvend zou zijn en wel
ab initioonderscheidend vermogen zou hebben. Op dezelfde gronden wordt de stelling van UvA, dat zij bekend staat als ‘Universiteit van Amsterdam’ c.q. ‘University of Amsterdam’ en het teken AMSTERDAM UNIVERSITY dus ook onderscheidend is voor het publiek, verworpen.
ab initioonderscheidend vermogen mist.