ECLI:NL:GHDHA:2018:4043

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2018
Publicatiedatum
23 maart 2023
Zaaknummer
200.235.583/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 347 lid 1 RvArt. 3.2 SORArt. 3.3 SORArt. 3.4 SORArt. 4.2 SOR
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging vonnis rechtbank over contractuele boete in koopovereenkomst woning

In deze civiele zaak zijn appellanten in hoger beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2018. Het geschil betreft de toepassing van een contractuele boete van 10% in een model koopovereenkomst voor een woning.

Partijen hebben ingestemd met de Second Opinion-procedure (SO-procedure), waarbij het gerechtshof de zaak beoordeelt op basis van de stukken en stellingen uit de eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van alle stukken en neemt de overwegingen van de rechtbank over.

Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank zonder nadere motivering, conform artikel 4.2 van het Second Opinion Reglement. De appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, beperkt tot het griffiegeld van €726,- betaald door geïntimeerden.

Deze uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de contractuele boete en benadrukt de bindende werking van de SO-procedure in hoger beroep.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel Recht
Zaaknummer: 200.235.583/01
Zaak-/rolnummer rechtbank: C/10/531701/HA ZA 17-730
arrest van 22 mei 2018
In de zaak van
1. [appellant],
2. [appellante],
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
hierna te noemen: [appellant] (in enkelvoud),
advocaat: mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam,
tegen
1. [geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
hierna te noemen: [geïntimeerde 1] c.s.,
advocaat: mr D.J.W. Feddes te Alphen aan den Rijn.

Het verloop van het geding

Bij exploot van 13 maart 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2018. Vervolgens is namens alle partijen toelating tot de Second Opinion-procedure (SO-procedure) verzocht. Daartoe hebben de advocaten ieder een SO-formulier als bedoeld in de artikel 3.2 van het Second Opinion Reglement (SOR) ingevuld en ondertekend. Voornoemd verzoek is toegestaan, waarna arrest is bepaald.

Beoordeling van het hoger beroep volgens de SO-procedure

1. Met de namens hen verrichte invulling en ondertekening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv Pro te hebben genomen (zie ook de artikelen 3.3 en 3.4 SOR).
2. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak beoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop het laatste vonnis van de eerste rechter werd gevraagd (artikel 2.7 SOR en de 'Verklaring' in de SO-formulieren). De zaak in hoger beroep wordt dus beoordeeld aan de hand van uitsluitend de stukken in de eerste aanleg en de daarin betrokken stellingen. Van die stukken heeft het hof kennis genomen.
3. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne. Derhalve zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
4. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de daarop gevallen kosten, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door [geïntimeerde 1] c.s. betaalde griffiegeld van € 726,-.

Beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2018;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op€ 726,- voor griffiegeld.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.Y. Bonneur, G. Dulek-Schermers en T.G. Lautenbach en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.