Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 13 maart 2018
de Stichting DUWO,
[geïntimeerde] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
“bestek en voorwaarden voor het bouwen van 859 studenteneenheden c.a.”.Op 7 september 1971 is ten behoeve van het complex een vergunning verleend voor het bouwen van
“een complex studentenwoningen”.
grief 1voert DUWO aan dat haar woningbezit aan de [adres] van meet af aan bestemd is geweest voor studenten.
Grief 2is gericht tegen de vaststelling door de kantonrechter dat DUWO de huurovereenkomst op 2 december 2015 (alleen) heeft opgezegd “wegens dringend eigen gebruik”. DUWO wijst erop dat zij zowel in 2012 als in 2015 heeft opgezegd “wegens dringend eigen gebruik, respectievelijk het niet ingaan op een redelijk aanbod, te weten het aangaan van een “campuscontract”. Met
grief 3komt DUWO op tegen het oordeel van de kantonrechter dat in dit geval geen sprake is van verhuur van studentenwoonruimte. De
grieven 4 en 5sluiten daarbij aan. DUWO voert in dat kader aan dat er weliswaar in de huurovereenkomst niet was opgenomen dat het om een studentenwoning gaat, maar dat er destijds ook geen bijzondere reden was om dat op te nemen. Daar komt bij dat het complex aan de [adres] bekend staat als een studentencomplex en dat [geïntimeerde] de woning heeft gehuurd als student. Slechts gedurende de periode van 1985-1998 zijn er in het complex ook in enkele gevallen zelfstandige woningen verhuurd aan mensen die geen student waren. Als [geïntimeerde] niet heeft begrepen dat hij slechts voor een woning aan de [adres] in aanmerking kwam omdat hij als student stond ingeschreven, had hij dat moeten begrijpen.
Grief 6is gericht tegen de conclusie van de kantonrechter dat de opzeggingsgrond “dringend eigen gebruik” de opzegging niet kan dragen en dat van een redelijk aanbod dat [geïntimeerde] had moeten accepteren, geen sprake was.
nudringend nodig heeft voor verhuur aan studenten. Die vraag kan worden beantwoord zonder dat de hoedanigheid waarin [geïntimeerde] de woning in 2004 is gaan huren, wordt onderzocht. De stelling van [geïntimeerde] dat geen grief is gericht tegen het door de kantonrechter geformuleerde uitgangspunt voor beoordeling van de vorderingen, gaat uit van een te beperkte lezing van de grieven. Uit de grieven, in samenhang genomen, volgt immers onmiskenbaar dat DUWO ontruiming van de woning wil bewerkstelligen vanwege de vraag van andere studenten naar de woning, niet vanwege de hoedanigheid waarin [geïntimeerde] de woning is gaan huren.
studerendestarters, en uit het onvoldoende weersproken feit dat de wooneenheden aan de [adres] vanaf in ieder geval 2002 alleen via de zogenaamde Kamerwinkel, gevestigd in de aula van de TU Delft, gehuurd konden worden.
Beslissing
opnieuw rechtdoende:
- stelt het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen DUWO en [geïntimeerde] betreffende de woonruimte aan de [adres] te Delft zal eindigen vast op 1 september 2018;
- veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, doch niet eerder dan 1 september 2018, het gehuurde te ontruimen;
- veroordeelt DUWO tot betaling van een bedrag van € 5.892,- aan [geïntimeerde] als tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten;
- compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens ten aanzien van de nog te maken nakosten, tot betaling waarvan [geïntimeerde] wordt veroordeeld voor het geval hij niet vrijwillig voldoet aan de in dit arrest uitgesproken veroordeling;
- wijst af het meer of anders gevorderde.