Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 20 maart 2018
[appellant],
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Het appartementsrecht op de begane grond te Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Delfshaven, sectie [… 1], nummer [nummer 2], appartementsindex 1, plaatselijk bekend[pand 1], alsmede een perceel grond gelegen achter[pand 2]te Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Delfshaven, sectie [… 1], nummer [nummer 3], groot een are en zeventachtig centiare (1.87 a);”
I. het appartementsrecht, kadastraal bekend als gemeente Delfshaven, sectie [… 1], complexaanduiding [nummer 2], appartementsindex 1, welk appartementsrecht omvat:
grief 1komt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter dat partijen het erover eens waren dat het geschil op de voet van het bepaalde in artikel 96 Rv Pro aan haar werd voorgelegd.
Grieven 2 tot en met 4richten zich tegen de weergave van de vaststaande feiten door de kantonrechter. Het hof heeft de feiten in dit arrest, voor zover nodig, opnieuw vastgesteld, zodat [appellant] geen belang heeft bij bespreking van deze grieven.
grieven 5, 6 en 7komt [appellant] op tegen de weergave door de kantonrechter van haar stellingen en weren.
Grief 8richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat het beroep op eigendomsverkrijging door bevrijdende verjaring moet worden verworpen omdat de verjaringstermijn van twintig jaar nog niet is vervuld nu deze pas op zijn vroegst kan zijn gaan lopen vanaf het moment dat [appellant] de woning in 2001 kocht.
grieven 9 tot en met 14voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] geen eigenaar is geworden door verkrijgende verjaring.
grieven 17 tot en met 20voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte de door VDM gevorderde schadevergoeding heeft toegewezen omdat het gebruik van de ruimtes door [appellant] niet onrechtmatig was, de vordering tot schadevergoeding is verjaard en VDM geen schade heeft geleden.
Grief 21komt op tegen de toewijzing van de vordering van VDM en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
Grief1 betreft de vraag of het geschil op de voet van het bepaalde in art. 96 Rv Pro aan de kantonrechter werd voorgelegd. [appellant] voert aan dat haar bij het ‘scheppen’ van bevoegdheid van de kantonrechter ter comparitie niet art. 96 Rv Pro, maar het bepaalde in art. 108 Rv Pro voor ogen stond. Zij heeft belang bij deze grief want als de bevoegdheid van de kantonrechter is gestoeld op het bepaalde in art. 96 Rv Pro, dan staat hoger beroep slechts open indien partijen zich dat uitdrukkelijk hebben voorbehouden, zo stelt zij. VDM c.s. betoogt in dit verband dat partijen zich het recht op hoger beroep niet tijdig hebben voorbehouden omdat het voorbehoud eerst achteraf, te weten bij akteverzoek na de comparitie, is gedaan. Het hof dient [appellant] dan ook niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, aldus VDM c.s.
grieven 9 tot en met 14richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] geen eigenaar is geworden door verkrijgende verjaring omdat zij niet te goeder trouw is geweest. [appellant] voert daartegen het volgende aan. Zij verkeerde ten tijde van de aankoop van [pand 1] daadwerkelijk en op goede gronden in de veronderstelling dat zij daarmee de woning, de beide ruimtes 1 en 2 en de zaal kocht: een en ander was als één geheel met elkaar verbonden, stond in generlei verbinding met de aan de straatzijde gelegen winkelruimte met het adres [pand 2], en de uiterlijk zichtbare ‘erfgrens’ van wat zij kocht was de afscheidingsmuur tussen de winkelruimte [pand 2] enerzijds en de ruimtes 1 en 2 anderzijds. Ten tijde van haar aankoop in 2001 werd het geheel bovendien verhuurd aan het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond en ook de huurovereenkomst die [appellant] toen ter hand werd gesteld voorzag in verhuur van de ruimtes 1 en 2. [appellant] heeft destijds het kadaster niet geraadpleegd, maar als zij dat wel gedaan zou hebben, dan zou zij uit de daarin ingeschreven gegevens allerminst, laat staan eenvoudig, hebben kunnen constateren dat de ruimtes 1 en 2 géén onderdeel uitmaakten van hetgeen zij had gekocht. Kortom, [appellant] was in haar bezit van de ruimtes 1 en 2 te goeder trouw.
een perceel grond met het zich daarop bevindende pand (zaal)”. In de tekst van de akte worden de ruimtes 1 en 2 - die buiten de zaal liggen - niet vermeld. Uit de verbeelding van de kadastrale percelen op de kadastrale kaart blijkt dat de erfgrens tussen het kadastrale perceel [nummer 3] (dat [appellant] kocht) en het belendende perceel [nummer 1] een klein stukje dieper ligt dan de lijn waarop de achtergevel ligt van het door [appellant] gekochte buurpand [pand 1] en waar de tuin begint. Op de kaart waarop de percelen door het kadaster zijn opgemeten is aangegeven dat de grens tussen de percelen wordt gevormd door de “
achterzijde bebouwing (hoog)”. Deze opmeting is kenbaar uit de openbare registers. De grens tussen de twee percelen is ook “fysiek” waar te nemen, zodat [appellant] niet kon aannemen dat haar perceel mede de ruimtes 1 en 2 omvatte. De zaal is achter het oorspronkelijke pand tegen de achtergevel – die veel hoger is – gebouwd. Het is dan ook uiterlijk waarneembaar dat het om verschillende panden gaat. De ruimtes 1 en 2 maken geen onderdeel uit van de zaal: er zijn wel doorgangen gemaakt, maar het vloerniveau van de zaal en het oorspronkelijke pand waarin de ruimtes 1 en 2 zich bevinden is ongelijk. Ook aan de oppervlaktematen van de percelen die in de transportakte zijn vermeld kon [appellant] redelijkerwijs afleiden dat de ruimtes 1 en 2 niet tot haar perceel behoren: de oppervlakte van het perceel [pand 1] (woning + tuin) bedraagt 180 m2 en de oppervlakte van de zaal 187 m2. De zaal is bijna even groot als de woning plus tuin aan de [pand 1] en ongeveer dubbel zo breed als de tuin alleen van de gekochte woning. De oppervlakte van de ruimtes 1 en 2 is ook nog eens 76 m2. Het was op basis van deze gegevens in de transportakte dan ook niet aannemelijk dat de ruimtes 1 en 2 ook nog van het door [appellant] gekochte perceel [nummer 3] deel uitmaakten. Als koper heeft [appellant] bovendien een onderzoekplicht. Als [appellant] de openbare registers had geraadpleegd had zij daaruit eenvoudig kunnen afleiden dat zij geen eigenaar werd van de ruimtes 1 en 2. Dat [appellant] dat heeft nagelaten staat aan haar beroep op goede trouw in de weg, aldus VDM c.s.
grieven 9 tot en met 14falen derhalve.
grief 8voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het bezit van de rechtsvoorganger van [appellant] voor het beroep op bevrijdende verjaring niet relevant is, en dat het moet gaan om bezitsdaden van [appellant] zelf. De kantonrechter komt volgens [appellant] dan ook ten onrechte tot de conclusie dat de verjaringstermijn van twintig jaar nog niet is vervuld, nu deze pas op zijn vroegst kan zijn gaan lopen vanaf het moment dat [appellant] haar woning in 2001 kocht. In de toelichting op haar grief verwijst [appellant] niet alleen naar de wettekst van art. 3:105 BW Pro, maar ook naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 augustus 2010 (ECLI:NL:HR:2012:BW5324), waarin nadrukkelijk is bevestigd dat voor de bevrijdende verjaring
nietvan belang is of gedurende de verjaringstermijn opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden. De periode waarin de rechtsvoorganger van [appellant] in het bezit van de ruimtes 1 en 2 was, derhalve in ieder geval vanaf 1 mei 1994, ‘telt’ dus gewoon mee voor de verjaringstermijn van twintig jaar. [appellant] is dientengevolge in ieder geval niet later dan per 1 mei 2014 door bevrijdende verjaring eigenaar van de ruimtes 1 en 2 geworden. Zij was het immers die op dat moment in het bezit van de ruimtes 1 en 2 was, aldus – steeds – [appellant].
Grief 8slaagt in zoverre, maar kan gelet op het hiernavolgende naar het oordeel van het hof niet tot vernietiging van het vonnis leiden. Voor een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring door [appellant] is vereist dat gedurende de gehele verjaringstermijn van twintig jaar een ander dan VDM c.s. en haar rechtsvoorgangers, onafgebroken bezitter is geweest van de ruimtes 1 en 2. [appellant] beroept zich voor het onafgebroken bezit door haar rechtsvoorganger, Groep MH, op de huurovereenkomst tussen Groep MH en het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond als huurder, volgens welke de zaal inclusief de ruimtes 1 en 2 zou zijn verhuurd, en welke huurovereenkomst [appellant] met de huurder heeft voortgezet. Uit de brief van 1 december 1997 van makelaar Van der Laan namens Groep MH valt naar het oordeel van het hof echter af te leiden dat Groep MH zich vanaf eind 1997 jegens de toenmalige eigenaar van de ruimtes 1 en 2, [X], niet als bezitter van de betreffende ruimtes heeft gedragen althans dat zij daarmee in ieder geval haar bezit heeft prijsgegeven. Ook kan er geen sprake zijn van bezit van de ruimtes 1 en 2 door de huurder, het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond. Laatstgenoemde was immers, als huurder, niets anders dan houder, ook al was dat vanaf zeker moment voor een partij die zelf het bezit ten gunste van [X] had prijsgegeven. Daarbij komt dat het Alevitisch Cultureel Centrum Rijnmond door de huurbetalingen aan [X] ten opzichte van de eigenaar van de ruimtes 1 en 2 evenzeer in een rechtsverhouding van houderschap is komen te verkeren, in elk geval voor de periode waarvoor de huur daadwerkelijk is betaald. [appellant] heeft voorts onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat haar rechtsvoorganger, Groep MH, dan wel de huurder van Groep MH als gebruiker van de betreffende ruimtes, het onafgebroken bezit van de ruimtes 1 en 2 heeft gehad. Nu niet is komen vast te staan dat haar rechtsvoorganger vanaf eind 1997 de ruimtes 1 en 2 (nog) in bezit had, kan de termijn in ieder geval niet eerder zijn gaan lopen dan vanaf het moment dat [appellant] haar woning in 2001 heeft gekocht. Daarvan uitgaande eindigt de verjaringstermijn pas in 2021. Het betoog van [appellant] dat zij op de grondslag van de bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de ruimtes 1 en 2 dient dan ook te worden verworpen gelet op het feit dat de daaraan gekoppelde verjaringstermijn van twintig jaar nog niet is vervuld.
grieven 15 en 16voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte haar beroep op een door (verkrijgende dan wel bevrijdende) verjaring verkregen erfdienstbaarheid heeft verworpen. Ter toelichting verwijst [appellant] naar alle feiten en omstandigheden die zij heeft aangevoerd ten aanzien van de door haar gestelde eigendomsverkrijging door verjaring. Voor zover [appellant] heeft bedoeld aan te voeren dat zij bezitter is geweest van het recht van erfdienstbaarheid, gaat het hof aan deze stelling voorbij. [appellant] heeft onvoldoende onderbouwd dat het door haar gestelde feitelijk gebruik en de toestand ter plaatse,
grieven 15 en 16falen daarom.
grieven 17 tot en met 20komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door VDM gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen. [appellant] voert daartoe, kort samengevat, aan dat het gebruik van de ruimtes 1 en 2 door [appellant] niet onrechtmatig was, de rechtsvordering tot schadevergoeding reeds is verjaard en VDM geen schade heeft geleden.
Grief 17faalt reeds daarom.
Grief 18stuit hierop af.
Beslissing
dinsdag 29 mei 2018 om 13.30 uur;
binnen twee weken na dit arrestschriftelijk wordt verzocht;
uiterlijk vier weken vóór de comparitieaan de griffie handel en aan de wederpartij dient te zenden; [appellant] zal daarop bij akte ter comparitie mogen reageren; zij dient deze
uiterlijk twee weken vóór de comparitieaan de griffie handel en aan de wederpartij te zenden;