Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 23 januari 2018
SMST DESIGNERS & CONSTRUCTORS B.V.,
BMT DE BEER B.V.,
BMT SURVEYS (AMSTERDAM) B.V.,
BMT SURVEYS (ROTTERDAM) B.V.,
NOEST SHIPPING C.V.,
NOEST SHIPPING B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
- BMT heeft tegen SMST en tegen NOEST een (TAMARA) arbitrageprocedure aangespannen over een aan BMT gegeven opdracht tot onder meer het controleren van de belading van een coaster. Volgens BMT heeft zij haar opdracht gekregen van ofwel SMST ofwel NOEST.
- Zowel SMST als NOEST heeft de opdracht aan BMT betwist, en daarmee ook de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van BMT die een (TAMARA) arbitrageclausule bevatten. Zij hebben elk een beroep gedaan op de onbevoegdheid van arbiters.
- Arbiters hebben in een arbitraal vonnis van 9 maart 2015 in de beide zaken vonnis in de bevoegdheidsincidenten gewezen. In de zaak tussen BMT en SMST hebben arbiters het beroep van SMST op onbevoegdheid verworpen, en SMST veroordeeld in de kosten van het incident. In de zaak tussen BMT en NOEST hebben arbiters zich onbevoegd verklaard, en BMT veroordeeld in de kosten van het incident.
- Volgens het TAMARA arbitragereglement is hoger beroep uitgesloten.
primair: er is sprake van een gedeeltelijk eindvonnis:- arbiters hebben hun beslissing in de beide incidenten gewezen in één vonnis, met één zaaknummer, in één doorgenummerd en éénmaal ondertekend document dat éénmaal ter griffie is gedeponeerd. Dit betekent volgens SMST dat arbiters hun beslissing in de beide incidenten als één vonnis hebben beschouwd en ingericht. De vonnissen in de beide incidenten zijn volledig aan elkaar verknocht. Daarom kan de onbevoegdverklaring in de zaak tegen NOEST, op welk punt het vonnis in ieder geval als een eindvonnis geldt, niet los worden gezien van de bevoegdverklaring in de zaak tegen SMST, en geldt het vonnis ook ten opzichte van SMST als een gedeeltelijk eindvonnis;
- het vonnis van arbiters maakt een einde aan de subsidiaire eis van BMT. Deze eis was erop gegrond dat, voor het geval SMST niet als opdrachtgever van BMT kon worden beschouwd, SMST desondanks gebonden was aan de algemene voorwaarden van BMT op grond van derdenwerking;
- de ratio van art. 1064 Rv Pro is dat met de uitsluiting van tussentijds beroep tegen arbitrale vonnissen het belang van een voortvarend procesverloop wordt gediend, fragmentatie van de instructie van de zaak wordt voorkomen en processuele complicaties (zoals tegenstrijdige uitspraken) worden vermeden. Het arbitraal vonnis van 9 maart 2015 leidt in dit geval juist tot processuele complicaties. Een voortvarend en praktisch procesverloop en een behoorlijke procesorde brengen in de bijzondere omstandigheden van dit geval mee dat de rechtbank SMST ontvankelijk had moeten verklaren en het vonnis van 9 maart 2015 had moeten vernietigen. De rechter is bij een beroep op schending van de fundamentele beginselen van een goede procesorde niet terughoudend en dient de zaak volledig inhoudelijk te toetsen. De bewijslast dat tussen partijen een arbitrageovereenkomst bestaat, rust op BMT;
- het voorgaande klemt temeer, nu arbiters hebben verzuimd zich in elk geval met betrekking tot BMT de Beer en BMT Surveys (Rotterdam) onbevoegd te verklaren. Hadden arbiters hun plicht gedaan, dan was hun beslissing, aldus nog steeds SMST, op dat punt in ieder geval een gedeeltelijk eindvonnis geweest;
- uit het bewijs blijkt duidelijk dat NOEST de opdrachtgever is van BMT en niet SMST. Arbiters hebben, door aan dit bewijs voorbij te gaan en hier ten onrechte betekenis aan te ontzeggen, zich schuldig gemaakt aan een ernstige schending van de fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde;
- de schending van fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde brengt mee dat er sprake is van een doorbrekingsgrond, op grond waarvan SMST ontvankelijk moet worden geacht in haar vorderingen, ook als het arbitrale vonnis van 9 maart 2015 moet worden aangemerkt als een tussenvonnis.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 17 februari 2016;
- veroordeelt SMST in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van BMT tot op heden begroot op € 718,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris advocaat (3 punten tarief II);