Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het geding
2.De beoordeling
“U heeft mij verzocht de rechtbankvonnissen en de in hoger beroep gewisselde processtukken te beoordelen teneinde u op basis daarvan mijn eerste indruk te geven over de haalbaarheid van een eventuele aansprakelijkstelling alsook over de eventueel nader in hoger beroep te ondernemen handelingen.” Het hof Den Haag heeft bij arrest van 22 juli 2014 de vonnissen van de rechtbank Rotterdam bekrachtigd, en onder meer het volgende overwogen en beslist: “
(…) 4.4 [geïntimeerde] heeft geen feiten gesteld en onderbouwd waaruit volgt dat hij bij enige ABC-akte of -constructie inzake de projecten Barendrecht, Wateringse Veld en Dordrecht in privé als contractspartij is opgetreden.
wilbetalen. Het hof begrijpt deze grief van [appellante] aldus dat sprake is van – kortweg – verhaalsfrustratie of betalingsonwil, zoals [appellante] ter zitting van het hof ook heeft toegelicht. [appellante] heeft (ook in eerste aanleg) gesteld dat [geïntimeerde] simpelweg steeds volstaat met het betwisten van de betreffende facturen, en ook nu nog na vele (door [appellante] gewonnen) procedures weigert de declaraties te voldoen. Dit terwijl hij als bestuurder van [beheermaatschappij 1] de enige is die daartoe een betalingsopdracht kan doen. Alle geschetste omstandigheden bevestigen het beeld dat [geïntimeerde] zonder enige goede grond aan betaling van de declaraties probeert te ontkomen. Hierbij regelt [geïntimeerde] het steeds zo dat [appellante] als schuldeiser geen voor verhaal vatbaar vermogen in de vennootschappen aantreft. Ook thans in hoger beroep blijkt volgens [appellante] uit niets dat [beheermaatschappij 1] niet
kanbetalen (hetgeen [geïntimeerde] bij memorie van antwoord ook met zoveel woorden heeft betwist) zodat wel sprake moet zijn van betalingsonwil, en niet van betalingsonmacht, aldus nog steeds [appellante] . Het hof bespreekt eerst de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] met betrekking tot de vorderingen van [appellante] op [beheermaatschappij 1] en daarna de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] met betrekking tot de vorderingen van [appellante] op [dochter beheermij. 2] .
aangaanvan de overeenkomsten met [appellante] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Immers: indien [beheermaatschappij 1] alléén wanneer [dochter 2 beheermij. 1] de procedure tegen [X] zou winnen de facturen zou kunnen voldoen, impliceert dit dat bij verlies van die procedure de facturen niet zouden kunnen worden voldaan. Dit had [geïntimeerde] zondermeer aan [appellante] moeten meedelen (ook omdat [beheermaatschappij 1] in die situatie de facturen niet tijdig zou kunnen voldoen), zodat [appellante] haar eigen afweging had kunnen maken of zij onder die onzekerheid bereid was de overeenkomst(en) met [beheermaatschappij 1] aan te gaan. [geïntimeerde] had moeten begrijpen dat dit feit voor [appellante] uiterst relevant was en dat zij de opdracht(en) bij kennis van dit feit waarschijnlijk niet op dezelfde voorwaarden zou aanvaarden. [geïntimeerde] heeft hierover gezwegen.
Ontvanger/Roelofsen,gevalstype (ii)). In dit arrest is bepaald dat van een persoonlijk ernstig verwijt in ieder geval sprake zal kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de schade. Dit wordt in het navolgende toegelicht.
Van Waning/Van der Vliet). [geïntimeerde] heeft in hoger beroep echter geen nadere (financiële) stukken overgelegd die kunnen onderbouwen dat [beheermaatschappij 1] géén (toegang tot) de middelen heeft om de schulden aan [appellante] te voldoen. Er zijn daartoe ook anderszins geen aanknopingspunten door [geïntimeerde] aangedragen. Integendeel, [geïntimeerde] heeft juist expliciet betwist de stelling van [appellante] dat de financiële situatie van [beheermaatschappij 1] uiterst slecht is en dat [beheermaatschappij 1] geen verhaal zou bieden. Zo voert [geïntimeerde] in onderdeel 65 van de memorie van antwoord aan (i) dat [appellante] niet heeft gesteld dat er verhaalsonderzoek is gedaan en wat dat zou hebben opgeleverd, (ii) dat de mogelijkheid dat [beheermaatschappij 1] geen liquiditeiten bezit nog niet betekent dat zij wel verhaal kan bieden om de vorderingen te voldoen, en (iii) het enkele feit dat er geen verhaalsobjecten kenbaar zijn niet betekent dat die objecten er niet zijn. [geïntimeerde] heeft ter zitting van het hof op dit punt ook geen helderheid willen verschaffen en heeft geweigerd om antwoord te geven op de vraag van het hof of [beheermaatschappij 1] op dit moment in staat is om de rekeningen alsnog te betalen (“
Daar wil ik niets over zeggen”).
3.Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende: