ECLI:NL:GHDHA:2018:672

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2018
Publicatiedatum
4 april 2018
Zaaknummer
22-005141-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 378a Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijke toe-eigening babyvoeding

In hoger beroep is de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde feit van wederrechtelijke toe-eigening van babyvoeding (merk Nutrilon) te Rotterdam op 17 april 2015. De rechtbank had de verdachte eerder veroordeeld tot een geldboete van € 200,-, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis.

Het hof oordeelde dat de belangrijkste getuigenverklaring, die zowel belastende als ontlastende elementen bevatte, onvoldoende betrouwbaar was. De getuige kon vanwege een licht verstandelijke beperking en medische omstandigheden niet opnieuw worden gehoord, waardoor de belastende verklaring slechts gebruikt kon worden indien deze werd ondersteund door andere bewijsmiddelen. Deze aanvullende bewijzen ontbraken in het dossier.

Foto’s en de aangifte boden onvoldoende ondersteuning en konden ook een alternatieve verklaring van de verdachte ondersteunen, namelijk dat hij in de winkel was om Nutrilon te kopen maar vanwege de prijs daarvan afzag. Ondanks vragen over de houding van de verdachte bij de politie, sprak het hof hem vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van wederrechtelijke toe-eigening.

Uitspraak

Rolnummer: 22-005141-16
Parketnummers: 10-075692-15
Datum uitspraak: 6 februari 2018
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 2 november 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1982,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 23 januari 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,-, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,-, subsidiair 4 dagen vervangende hechtenis.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 april 2015 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen één of meerdere pak(ken) babyvoeding (merk: Nutrilon), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Plus, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Getuige [getuige] – wiens verklaring het meest belastende bewijsmiddel behelst jegens de verdachte in het dossier - heeft bij de politie zowel belastend als ontlastend verklaard over de rol en het aandeel van de verdachte bij het tenlastegelegde feit. Dit doet op zichzelf beschouwd al afbreuk aan de betrouwbaarheid van deze getuige. Het verzoek van de verdediging om deze getuige nogmaals te doen horen bij de raadsheer-commissaris is op een eerder moment door het hof toegewezen, maar deze getuige was op grond van zijn medische situatie niet in staat om een getuigenverklaring af te leggen. De raadsheer-commissaris heeft in dit opzicht bovendien aangegeven dat uit een aan haar overgelegde medische verklaring over de deze getuige blijkt dat de getuige een licht verstandelijke beperking heeft en kwetsbaar is op het terrein van overzicht bewaren. Voorts acht de raadsheer-commissaris het onaannemelijk dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn gehoord zou kunnen worden.
Onder deze omstandigheden kan van de belastende verklaring van de getuige [getuige] slechts gebruik worden gemaakt, voor zover deze in voldoende mate ondersteund wordt door andere bewijsmiddelen.
Naar het oordeel van het hof bevinden dergelijke bewijsmiddelen zich niet in het dossier. De zich in het dossier bevindende foto’s kunnen in elk geval niet als zodanig worden aangemerkt, nu zij ook als ondersteuning kunnen dienen voor het door verdachte aangedragen alternatieve scenario, dat hij in de winkel was om – afhankelijk van de prijs – Nutrilon te kopen, maar daarvan in de winkel op grond van die prijs heeft afgezien, en daarover contact heeft gehad met zijn medeverdachten. De aangifte is naar het oordeel van het hof te weinig specifiek om als ondersteunend bewijsmiddel te dienen.
Hoewel de houding van de verdachte bij de politie naar ’s hofs oordeel vragen oproept, in het bijzonder gelet op zijn stelling dat de medeverdachten niet zijn vrienden zijn terwijl hij deze goed blijkt te kennen, spreekt het hof de verdachte op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vrij van het tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en
spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,
mr. H.P.CH. van Dijk en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. M.S. Ferenczy.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 februari 2018.