ECLI:NL:GHDHA:2018:716
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep pensioenverrekening na scheiding en toepassing Boon-van Loon arrest
Partijen zijn gehuwd geweest van 1970 tot 1982 en hebben bij scheiding geen pensioenverrekening geregeld. De vrouw maakt pas in 2016 aanspraak op haar deel van het pensioen dat de man heeft opgebouwd. Het hof past het Boon-van Loon arrest toe en oordeelt dat de vordering niet verjaard is, maar dat rechtsverwerking en redelijkheid en billijkheid meebrengen dat verrekening niet kan plaatsvinden over reeds uitgekeerde pensioentermijnen vóór 5 augustus 2016.
De vrouw vordert betaling van een bruto bedrag per jaar en wettelijke rente, alsmede vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het hof wijst de vordering tot wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten af, overweegt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd en dat de vrouw aanspraak kan maken op een maandelijkse uitkering van €104,88 vanaf 5 augustus 2016.
De man had betwist dat de vrouw haar aanspraken tijdig had gemaakt en stelde verjaring en rechtsverwerking. Het hof verwierp verjaring en rechtsverwerking voor zover deze betrekking had op termijnen na 5 augustus 2016. De berekeningen van het pensioenbureau worden als voldoende betrouwbaar beschouwd, zodat geen deskundigenonderzoek wordt benoemd.
Het arrest bevestigt dat pensioenrechten uit de periode van gemeenschap van goederen onder het Boon-van Loon arrest vallen en dat verrekening kan worden gematigd op grond van bijzondere omstandigheden en redelijkheid en billijkheid. De beslissing is een belangrijke verduidelijking van de toepassing van pensioenverrekening bij oude scheidingen en de gevolgen van late aanspraken.
Uitkomst: Het hof wijzigt de pensioenverrekening naar een maandelijkse uitkering vanaf 5 augustus 2016 en wijst wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten af.