ECLI:NL:GHDHA:2019:1026

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2019
Publicatiedatum
3 mei 2019
Zaaknummer
22-002568-18
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 416 SrArt. 404 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met valse sleutel en opzetheling bij pintransacties met gestolen bankpas

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het bezit en gebruik van een gestolen bankpas, waarmee hij in twee transacties in totaal €1.250,- heeft gepind. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte wist dat de bankpas afkomstig was van diefstal en dat hij zonder toestemming het geld heeft weggenomen met gebruik van een valse sleutel.

De herkenning van de verdachte op camerabeelden werd bevestigd door zes verbalisanten die hem ambtshalve kenden en hem aan specifieke persoonskenmerken zoals zijn wenkbrauwen en neus herkenden. De verdachte werd vrijgesproken van overige ten laste gelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Het hof legde een gevangenisstraf van drie maanden op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast wees het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke geldboete af, omdat geen gronden voor toewijzing aanwezig waren. De straf werd gemotiveerd door de ernst van het feit, het schaden van vertrouwen in het geldverkeer en het recidivegedrag van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf voor diefstal met valse sleutel en opzetheling met gestolen bankpas.

Uitspraak

Rolnummer: 22-002568-18
Parketnummers: 10-661273-17 en 22-005231-16 (TUL)
Datum uitspraak: 24 april 2019
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 juni 2018 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1997,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 10 april 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1,
2 primair en subsidiair en 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 4 primair en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest. Tevens is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke veroordeling als nader in het vonnis vermeld.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1, 2 primair en subsidiair en 3 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en mitsdien mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is –voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde- ten laste gelegd dat:
4:
hij op of omstreeks 10 november 2017 te [plaats], althans in Nederland, (een) goed(eren), te weten een pas van de Rabobank t.n.v. [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij 2], heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 november 2017 te [plaats], althans in Nederland, opzettelijk een pas van de Rabobank t.n.v. [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door vondst, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;
5:
hij op of omstreeks 10 november 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 1.250 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] en/of [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen 1.250 euro onder zijn bereik had gebracht door middel van een valse sleutel, te weten het halen van genoemd geldbedrag uit twee geldautomaten met gebruik van een bankpas, waartoe hij niet gerechtigd was.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
4 primair:
hij op
of omstreeks10 november 2017 te [plaats]
, althans in Nederland, (een
)goed
(eren), te weten een pas van de Rabobank t.n.v. [benadeelde partij]
en/of [benadeelde partij 2],
heeft verworven en/ofheeft voorhanden gehad
en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van
de verwerving ofhet voorhanden krijgen van dat goed
/die goederenwist
, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden,dat het
(een
)door misdrijf verkregen goed
(eren)betrof;
5:
hij op
of omstreeks10 november 2017 te [plaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 1.250 euro,
in elk geval enig goed, geheel of ten deletoebehorende aan [benadeelde partij] en/of
[benadeelde partij 2],
in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte,zulks nadat hij, verdachte, die weg te nemen 1.250 euro onder zijn bereik had gebracht door middel van een valse sleutel, te weten het halen van genoemd geldbedrag uit twee geldautomaten met gebruik van een bankpas, waartoe hij niet gerechtigd was.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep –op gronden als vermeld in de overgelegde pleitnotities- op het standpunt gesteld dat de verdachte van het hem onder 4 en 5 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu niet onomstotelijk vastgesteld kan worden dat verdachte degene is op de foto’s van de bewuste pintransacties.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terecht-zitting in hoger beroep is het volgende komen vast te staan.
Op 10 november 2017 wordt met de pinpas op naam van [benadeelde partij] tweemaal gepind tot een totaalbedrag van € 1.250,-. Deze bankpas blijkt eerder die nacht te zijn weggenomen uit een woning.
Naar aanleiding van de pintransacties worden de beelden
bekeken van de beveiligingscamera’s van de betreffende pinautomaten en de camera’s van stadstoezicht in de omgeving van deze pinautomaten. Op de beelden wordt de verdachte door een zestal verbalisanten herkend als degene die pint.
Het hof stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan.
Dit geldt te meer indien deze herkenningen het enige bewijsmiddel zijn dat de betrokkenheid van een verdachte bij een ten laste gelegd feit kan aantonen.
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning aan de hand van camerabeelden of afbeeldingen is onder meer van belang in hoeverre op deze beelden voldoende duidelijke, specifieke en onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de kwaliteit van de beelden en van de mate van zichtbaarheid van persoonskenmerken op die beelden. Daarnaast kan het ook van belang zijn met welke frequentie en onder welke omstandigheden de waarnemer de door hem herkende persoon heeft gezien.
Het hof stelt vast, dat op de zich in het dossier bevindende afbeeldingen van de pinnende man een deel van zijn gezicht, waaronder zijn wenkbrauwen en neus is te zien. Voorts zijn het postuur en de jas van de man te zien. Het hof is van oordeel dat de afbeeldingen van goede kwaliteit zijn en dat daarop voldoende duidelijk onderscheidende persoonskenmerken zichtbaar zijn, in ieder geval zodanig dat daarop een betrouwbare positieve herkenning zonder meer gebaseerd kan worden.
Ten aanzien van de herkenning door de zes verbalisanten overweegt het hof voorts het volgende.
De verdachte maakt deel uit de Top60 in [plaats]. De zes verbalisanten kennen de verdachte ambtshalve.
  • Verbalisant [verbalisant 1] kent de verdachte, omdat hij hem diverse malen in zijn werk als agent in het werkgebied in [plaats] heeft gecontroleerd en gesproken. Hij heeft hem direct herkend aan zijn dikke stevige en lange wenkbrauwen en aan de vorm van zijn grote neus.
  • Verbalisant [verbalisant 2] kent de verdachte van eerdere contacten tijdens zijn werk bij de politie in [plaats]. Hij herkende de verdachte onmiddellijk aan zijn opvallende wenkbrauwen en zijn opvallende grote neus.
  • Verbalisant [verbalisant 3] kent de verdachte. Hij is 1,5 jaar werkzaam op de afdeling Persoons Gerichte Aanpak (PGA). Deze afdeling houdt zich bezig met de zogeheten Top60 aanpak. De verdachte maakt deel uit van de Top60 [plaats]. Deze verbalisant heeft meerdere keren politiecontacten gehad met de verdachte. [verbalisant 3] herkende de verdachte onmiddellijk.
  • Verbalisant [verbalisant 4] kent verdachte. Hij is ruim twee jaar werkzaam geweest bij de afdeling Persoons Gerichte Aanpak. Deze afdeling houdt zich bezig met de zogeheten Top60 aanpak. Deze Top60 bestaat uit personen welke veelal aangehouden of veroordeeld zijn voor HIC-delicten, waaronder woninginbraken. Hierdoor heeft hij meerdere politiecontacten gehad met verdachte, welke behoort tot de Top60 aanpak en tevens de doelgroep HIC/woninginbrekers in [plaats]. Verbalisant herkende verdachte direct en voor 100% aan zijn uitdrukking, gelaat, opvallende grote neus, wenkbrauwen en zij aanzicht van het gezicht.
  • Verbalisant [verbalisant 5] kent de verdachte. Hij heeft tijdens zijn werk meerdere politiecontacten gehad met de verdachte. Hij herkent hem aan zijn donkere dikke wenkbrauwen, opvallende neus. Tevens herkent hij de jas van de verdachte.
  • Verbalisant [verbalisant 6] kent de verdachte van eerdere politiecontacten, zoals onderzoeken, aanhoudingen en controles. Deze verbalisant herkent hem onmiddellijk aan zijn gezicht. Met name zijn neus en wenkbrauwen vielen hem direct op. De verdachte heeft een opvallend gevormde neus en brede wenkbrauwen. Verder zag hij dat het postuur van de verdachte overeen kwam met het postuur van de persoon op de afbeeldingen.
Gelet op het voorgaande heeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de herkenning van de verdachte door de zes verbalisanten. Alle verbalisanten kennen verdachte ambtshalve en hebben de verdachte ieder voor zich, apart van elkaar, stellig en zonder enig voorbehoud herkend.
In het bijzonder hebben de verbalisanten hem herkend aan specifieke lichaamskenmerken zoals de wenkbrauwen en de neus van de verdachte.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte de persoon is geweest die met de van diefstal afkomstige pinpas heeft gepind.
De pinpas stond niet op naam van de verdachte en de verdachte had ook geen toestemming om met de pinpas het geld te pinnen. Het moet de verdachte dan ook zonder meer duidelijk zijn geweest dat hij niet gerechtigd was de pinpas in zijn bezit te hebben, laat staan hiermee te pinnen. Door toch met deze pas te pinnen, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met een
valse sleutel (feit 5). Nu de verdachte daarnaast de pinpas op naam van [benadeelde partij] in zijn bezit heeft gehad in de nacht dat deze uit de woning van aangever is weggenomen en hij hiervoor geen verklaring heeft gegeven, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, toen hij de pinpas verkreeg, wist dat deze afkomstig was van diefstal.
Het hof verwerpt het verweer.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het onder 4 primair en 5 bewezen verklaarde levert op:
4 primair: opzetheling;
5: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft met een gestolen bankpas in twee transacties in totaal een bedrag van € 1.250,- gepind. Daarmee heeft hij twee misdrijven gepleegd. Ten eerste heeft hij die pas in zijn handen gekregen terwijl hij wist dat deze van een misdrijf afkomstig was en ten tweede heeft hij daarmee geld gepind dat niet van hem was en daarbij een pincode gebruikt die hij niet hoorde te weten. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij geen respect heeft getoond voor het eigendom van een ander. Daarnaast heeft hij het vertrouwen in het geldverkeer geschaad.
Op het uittreksel Justitiële Documentatie van 25 maart 2019 staat vermeld dat de verdachte meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Blijkbaar leert de verdachte onvoldoende van zijn fouten en staat hij onverschillig tegenover een terechtwijzing door de rechter. Dat wordt hem in zijn nadeel aangerekend.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij arrest van dit hof van 26 april 2017 onder rolnummer 22-005231-16 is de verdachte –voor zover hier van belang- veroordeeld tot een geldboete van € 250,-, subsidiair vijf dagen hechtenis, met bevel dat die geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot ten uitvoerlegging van die niet ten uitvoer gelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Naar het oordeel van het hof zijn er echter geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en 5 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 primair en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Rotterdam van 7 februari 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van dit hof van 26 april 2017, rolnummer 22-005231-16, voorwaardelijk opgelegde geldboete.
Dit arrest is gewezen door mr. R.J. de Bruijn, mr. O.E.M. Leinarts en mr. L.A. Pit, in bijzijn van de griffier
A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 24 april 2019.
Mr. L.A. Pit is buiten staat dit arrest te ondertekenen.