Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.[appellant 1] ,
1.[geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
eerstegrief heeft de rechtbank ten onrechte het verweer gepasseerd dat [geïntimeerde 1] c.s. afstand heeft gedaan van zijn eventuele recht op schadevergoeding. Verwezen wordt naar de verklaringen die [appellant 1] , [X] , [appellant 2] en [Y] daarover als getuige hebben afgelegd. Het hof stelt voorop dat afstand van een vorderingsrecht tot stand komt door een overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar (art. 6:160 BW Pro). Daartoe is derhalve een op afstand gerichte wilsovereenstemming vereist. Een uitdrukkelijke verklaring is daarvoor niet nodig, aangezien ook door andere gedragingen dan een expliciete verklaring het vertrouwen kan worden gewekt dat een partij afstand wil doen van een vorderingsrecht (art. 3:35 BW Pro). Ook als veronderstellenderwijs ervan moet worden uit gegaan dat [geïntimeerde 1] op 28 september 2013 heeft gezegd ‘dat hij als goed moslim niet uit is op het geld van een andere moslim’, is de vraag hoe [appellant 1] c.s. deze mededeling redelijkerwijs heeft mogen opvatten. Het hof is van oordeel dat de mededeling moet worden bezien in het licht van de door [appellant 1] c.s. op diezelfde dag ontvangen ingebrekestelling. Hierin is (anders dan contractueel overeengekomen) aan [appellant 1] c.s. een termijn van twee weken gegeven om alsnog na te komen. [geïntimeerde 1] had op dat moment dus kennelijk meer belang bij een snelle levering van de woning dan bij schadevergoeding. Dat sluit echter niet dat hij op een later moment alsnog vergoeding van zijn schade zou willen vorderen. Naar het oordeel van het hof mocht [appellant 1] c.s. daarom uit voornoemde mededeling niet zonder meer afleiden dat [geïntimeerde 1] c.s. in het geheel geen aanspraak meer wilde maken op schadevergoeding. De grief faalt daarom. Het bewijsaanbod op dit punt zal als niet ter zake dienend worden afgewezen.
tweedegrief is gericht tegen het oordeel dat [appellant 1] c.s. niet geslaagd is geacht in het hem opgedragen bewijs. Volgens [appellant 1] c.s. moeten de verklaringen van [huurder 1] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] met grote behoedzaamheid worden bezien.
derdegrief heeft de rechtbank ten onrechte het beroep van [appellant 1] c.s. op eigen schuld verworpen. In de toelichting wordt aangevoerd dat [geïntimeerde 1] c.s. over de periode 5 november - 20 december 2013 geen boete of schadevergoeding toekomt.
vierdegrief is gericht tegen het oordeel dat het beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid moet worden verworpen. Volgens [appellant 1] c.s. valt hem geen enkel verwijt te maken en is sprake van een wanverhouding tussen de schade en het bedrag van de boete. De
vijfdegrief is gericht tegen afwijzing van het beroep op matiging. Volgens [appellant 1] c.s. is sprake van een wanverhouding tussen de boete en de werkelijke schade en is de schade niet onderbouwd. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. De vraag of [appellant 1] c.s. een verwijt valt te maken is niet relevant. Het hof verwijst daarvoor naar hetgeen in r.o. 9 is overwogen. De in artikel 6:94 BW Pro opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Het hof is van oordeel dat, nu hier sprake is van een gebruikelijke contractuele boete van 10% van de koopsom, niet gesproken kan worden van een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat. De grieven falen.
zesdegrief betoogt dat de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. moeten worden afgewezen. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en moet het lot van de andere grieven delen.