ECLI:NL:GHDHA:2019:1068
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank wegens twijfel aan goede trouw
Appellant verzocht bij de rechtbank Rotterdam om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.
De rechtbank baseerde haar oordeel onder meer op onduidelijkheid over de aard en aanwending van schulden aan de Belastingdienst en winst uit de verkoop van een woning. Appellant stelde hoger beroep in en overlegde aanvullende stukken, waaronder een schuldenoverzicht van de Belastingdienst en bankafschriften.
Het hof oordeelde dat appellant geen ernstig verwijt kan worden gemaakt omtrent de schulden aan de Belastingdienst, mede omdat een groot deel van de huurtoeslagschulden zal worden verrekend. Ook de besteding van de winst uit de woningverkoop werd voldoende aannemelijk gemaakt als bestemd voor levensonderhoud en aflossing van privéschulden.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit. De zaak werd verwezen naar de rechtbank ter uitvoering van de regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellant.