Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2019:1068

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2019
Publicatiedatum
8 mei 2019
Zaaknummer
200.256.476/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 lid 1 FwArt. 288 lid 1 aanhef en onder b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling na afwijzing rechtbank wegens twijfel aan goede trouw

Appellant verzocht bij de rechtbank Rotterdam om toepassing van de schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek.

De rechtbank baseerde haar oordeel onder meer op onduidelijkheid over de aard en aanwending van schulden aan de Belastingdienst en winst uit de verkoop van een woning. Appellant stelde hoger beroep in en overlegde aanvullende stukken, waaronder een schuldenoverzicht van de Belastingdienst en bankafschriften.

Het hof oordeelde dat appellant geen ernstig verwijt kan worden gemaakt omtrent de schulden aan de Belastingdienst, mede omdat een groot deel van de huurtoeslagschulden zal worden verrekend. Ook de besteding van de winst uit de woningverkoop werd voldoende aannemelijk gemaakt als bestemd voor levensonderhoud en aflossing van privéschulden.

Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en sprak de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit. De zaak werd verwezen naar de rechtbank ter uitvoering van de regeling.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de schuldsaneringsregeling toe aan appellant.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.256.476/01
Rekestnummer rechtbank : C/10/565227 / FT EA 19/3

arrest van 30 april 2019

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. A.T. Tilburg te Spijkenisse.

Het geding

Bij verzoekschrift (met producties), ingekomen ter griffie van het hof op 18 maart 2019, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2019, waarbij zijn verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen. Hij verzoekt het hof het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen en hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 25 maart 2019 is nog een productie aan het hof toegezonden.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2019. Verschenen is: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat.

Beoordeling van het hoger beroep

1. [appellant] heeft op 19 december 2018 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Volgens de aan het hof overgelegde verklaring ex artikel 285 lid1 Faillissementswet (Fw) is sprake van een totale schuldenlast van € 200.536,12.
2. De rechtbank heeft het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen op grond van het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest (artikel 288 lid 1 aanhef Pro en onder b Fw). De rechtbank heeft daarbij - kort samengevat – het volgende overwogen. [appellant] heeft twee schulden aan de Belastingdienst van € 2.329,- en € 3.249,-, ontstaan in 2016 en 2018. [appellant] heeft geen recent overzicht van zijn schulden aan de Belastingdienst overgelegd waaruit blijkt waar deze schulden betrekking op hebben en wanneer deze precies zijn ontstaan. Verder blijkt de rapportage van de schuldbemiddelaar dat [appellant] tijdens het minnelijk traject met de verkoop van een woning een winst van € 5.000,- heeft gerealiseerd. [appellant] heeft echter geen openheid van zaken te geven over de hoogte en aanwending van de gerealiseerde overwaarde van de verkochte woning.
3. De grieven van [appellant] hebben de strekking de zaak in volle omvang aan het hof voor te leggen. Ter zitting van het hof heeft [appellant] zijn standpunt toegelicht.
4. Gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting overweegt het hof als volgt. [appellant] heeft een schuldenoverzicht van de Belastingdienst van 19 maart 2019 overgelegd waarop vier schulden staan vermeld. Twee schulden betrekking hebben op Inkomstenbelasting 2015 en 2016 (respectievelijk € 741,- en € 2.340,-) en twee andere op huurtoeslag 2017 en 2018 (respectievelijk € 646,- en € 2.452,-). [appellant] heeft verklaard dat de schulden ter zake Inkomstenbelasting zijn ontstaan, doordat hij in 2015 en 2016 korte periodes voor verscheidene werkgevers heeft gewerkt en zijn boekhouder dit niet goed in de aangiftes heeft verwerkt. De hierop gevolgde aanslagen zijn onbetaald gebleven omdat [appellant] niet over de financiële middelen beschikte om deze te voldoen. Uit een overgelegde berekening van de huurtoeslag 2017 van de Belastingdienst van 15 februari 2019 is verder gebleken dat de definitief berekende huurtoeslag over 2017 is vastgesteld op een bedrag van € 2.098,-. Tevens is vermeld dat [appellant] te weinig huurtoeslag heeft ontvangen en daarom nog een nabetaling zal ontvangen van € 2.151,-. Voldoende aannemelijk is dat de huurtoeslag over 2017 zal worden verrekend met de huurtoeslag 2018, zodat de schulden met betrekking tot de huurtoeslag bijna voor het geheel komen te vervallen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, althans niet zodanig dat deze aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zou moeten staan.
[appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat tijdens het minnelijk traject met de verkoop van een woning niet een winst van circa € 5.000,- heeft gerealiseerd, maar een winst van circa € 5.700,-. Van deze winst resteert thans nog circa € 2.000,-. [appellant] heeft door middel van overgelegde bankafschriften voldoende aannemelijk kunnen maken dat hij met die winst heeft voorzien in zijn levensonderhoud en dat hij heeft afgelost op privéschuldeisers. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het hem niet duidelijk was welke afspraak met de Kredietbank aangaande de winst was gemaakt. Dat hij heeft afgelost op leningen van privéschuldeisers, komt omdat de Kredietbank hem te kennen had gegeven dat deze schulden niet zouden worden meegenomen in het minnelijk traject. Ook ten aanzien van de besteding van de gerealiseerde winst het hof van oordeel dat [appellant] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt, althans niet zodanig dat deze aan de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zou moeten staan.
5. Het voorgaande brengt mee dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

De beslissing

Het hof:
- vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 8 maart 2019;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] uit;
- verwijst de zaak naar voornoemde rechtbank ter uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, J.A. van Dorp en R.F. Groos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer