Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 april 2019
nader te noemen: [appellanten] ,
advocaat: mr. M.J. Meijer te Haarlem,
Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek,gevestigd te Den Haag,geïntimeerde,nader te noemen: PMT,advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam.
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Als bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet moet PMT zich houden
In januari 2014 constateerde PMT dat de vereiste dekkingsgraad op 103,6% uitkwam,
De derde grief sluit hierop aan en klaagt er over dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat een korting van de pensioenen in 2013 en 2014 noodzakelijk was vanwege een toen te lage dekkingsgraad.
a) de rendementen van belegde middelen zijn op lange termijn structureel lager dan de rekenrentes die zijn gehanteerd voor de berekening van de hoogte van de premies voor nieuwe aanspraken, en voor de berekening van de voorzieningen pensioen verplichtingen (hierna: VPV) voor de bestaande aanspraken;
b) het sterk dalen van de rekenrente die wordt gehanteerd voor de berekening van de VPV, waardoor de contante waarde voor elke euro aan pensioenaanspraak sterk stijgt en PMT dus veel meer belegde middelen moet reserveren voor eenzelfde bedrag aan toekomstige pensioenuitkeringen;
c) het heffen van te lage premies door PMT aan de werkenden voor de nieuw op te bouwen pensioenaanspraken.
stellen dat de onderdekking bij PMT is ontstaan door de oorzaken b) en c), en bieden hiervan zo nodig bewijs aan. Aangezien de beleggingsrendementen van PMT in 2006-2014 boven de gehanteerde rekenrentes lagen, is oorzaak a) – aldus [appellanten] – niet de oorzaak geweest van de onderdekking.
Grief 8 klaagt er over dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat door [appellanten] onvoldoende is betwist dat PMT bij haar besluiten in 2013 en 2014 om alle pensioenaanspraken en pensioenrechten in gelijke mate te korten, heeft gehandeld op instructie van DNB. Deze instructie houdt in dat, in geval van gedifferentieerde korting, in het bijzonder moet worden onderbouwd waarom differentiatie past in een evenwichtige belangenafweging, en welke aspecten er zijn die dit rechtvaardigen. De toelichting op de grief stelt dat het in gelijke mate korten van alle deelnemers in dit geval discriminatie betekent.
Grief 9 bevat de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat vast staat dat de deelnemersraad de beide kortingen heeft goedgekeurd. In de toelichting op deze grief wordt aangevoerd dat er in 2013 en 2014 nog geen door gepensioneerden gekozen leden van de deelnemersraad waren gekozen. Ten tijde van de goedkeuring was de deelnemersraad dus niet representatief vertegenwoordigd. Bovendien is een dergelijke goedkeuring niet meer dan een indicatie dat de belangenafweging door het bestuur evenwichtig is.
Grief 10 klaagt er over dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van DNB om goedkeuring te geven aan de door PMT gewenste korting van respectievelijk 6,3% en 0,4% onherroepelijk is. Volgens de toelichting op deze grief heeft DNB het kortingsbesluit van PMT niet goedgekeurd, maar heeft DNB er alleen geen bezwaar tegen gehad.
Grief 11 tenslotte bevat de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de besluiten tot de toegepaste kortingen van PMT in overeenstemming zijn met de vereisten uit de Pensioenwet en om die reden niet onrechtmatig zijn. In de toelichting op de grief wordt betoogd dat sprake is van een niet-geoorloofde inbreuk op het absolute eigendomsrecht van [appellanten] op opgebouwde pensioengelden van artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM respectievelijk van artikel 17 EU Pro Handvest. Deze inbreuk betreft geen legitieme doelstelling in het algemeen belang, en evenmin is er een behoorlijk evenwicht behouden tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Daarnaast zijn de kortingsbeslissingen ook onrechtmatig omdat hierdoor de artikelen 21 en (naar het hof begrijpt:) 25 EU Handvest worden geschaad (verbod op leeftijdsdiscriminatie en erkenning en eerbiediging rechten van ouderen).
Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken, en overweegt hierover het volgende.
“PMT is van mening dat door een gelijk kortingspercentage voor alle groepen deelnemers en pensioentrekkenden en door een toezegging van extra loonruimte door werkgevers, op een evenwichtige wijze rekening is gehouden met de belangen van alle bij het fonds betrokken groepen.
Beslissing
- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 15 januari 2018;
- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van PMT tot op heden begroot op € 726,- aan verschotten, € 3.222,- (3 punten tarief II) aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;